Go to Top

Nationale Wetenschapsagenda

Meer aandacht voor een beperkt aantal thema's

Samengevat uit de Wetenschapsvisie 2025

De Visie Wetenschap stelt voor een Nationale Wetenschapsagenda te ontwikkelen. Die moet er eind 2015 zijn en moet de prioriteiten voor onderzoek in Nederland bevatten. De zogeheten kenniscoalitie (met NWO, KNAW, VSNU, TNO en de instituten voor toegepast onderzoek [‘TO2’], Vereniging Hogescholen, VNO-NCW en MKB) zal zorgen dat de agenda er komt. Ook andere organisaties en personen kunnen meedenken.

De wetenschapsagenda bevat wetenschappelijke, industriële en maatschappelijke thema’s en wordt leidend voor een groot deel van de Nederlandse wetenschap. Ze werkt onder andere door in de profilering van universiteiten en geeft richting aan investeringen in de infrastructuur voor onderzoek.

Reageren?

Het KNAW-podium was actief van 25 november tot 31 december 2014; reageren kan niet meer.

46 reacties

  • Adriaan Soetevent 31 december 2014 - 12:52

    In zijn reactie op de nationale wetenschapsagenda verwoordt collega Eric van Damme (“The Dutch “Wetenschapsvisie 2025”: Ill-informed, Narrow Minded and Misconceived”) prima mijn eigen gedachten en gevoelde ongemak over dit beleidsdocument. Verwijzing naar zijn stuk volstaat in principe, maar toch een paar eigen observaties.

    Van Damme (p. 3) merkt op dat “The “Vision” (…) just reads as any other policy document of the Dutch government.” Hoe waar deze observatie is, wordt duidelijk wanneer de kabinetsvisie in de wetenschapsvisie wordt vergeleken met de bief die staatssecretaris Dekker op 13.10.2014 aan de Tweede Kamer stuurde over de toekomst van de publieke omroep (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/10/13/kamerbrief-over-toekomst-van-het-publieke-mediabestel.html).

    Ook bij de publieke omroep wordt versnippering geconstateerd: “In het huidige bestel komt gezamenlijkheid moeizaam tot stand. (…) Er zit een spanning in het bestel tussen de belangen van de omroeporganisaties en die van de publieke omroep als geheel. De omroepen maken programma’s vanuit hun eigen missie en voor hun eigen doelgroep. Dit resulteert aan de ene kant in een mooi en divers aanbod en een grote passie bij makers en omroepen om hun programma’s zo goed mogelijk te maken en bij het publiek aan te bieden. Aan de andere kant zorgt het ervoor dat er geen eenduidige strategie is over de manier waarop de publieke omroep als geheel het publiek het beste bereikt… (p. 15).” en ook hier bestaat de voorgestelde remedie uit centrale programmering: “De ervaring leert dat meer gemeenschappelijkheid niet vanzelf gaat. Daarom vergroot het kabinet de mogelijkheden van de NPO in het bepalen en bewaken van de gezamenlijke koers van de publieke omroep. De introductie van genrecoördinatoren is een belangrijke stap om de programmering van de publieke omroep te verbeteren. Genrecoördinatoren zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van de publieke taak in hun genre, dus voor alles dat gemaakt, besteld en geplaatst wordt. Dit dient te gebeuren vanuit een duidelijke visie op de inhoud en de manier waarop het publiek het beste bereikt kan worden. Deze visie moet samen met de makers van de omroeporganisaties en op basis van goede informatie over en contact met het publiek tot stand komen.” (p. 16)

    Beide visies lijken uit dezelfde mal te komen met NWO in de rol van NPO en de wetenschap in de plaats van de publieke omroep. Er zijn echter twee belangrijke verschillen:
    1. In haar visie op het mediabestel geeft het kabinet wel duidelijk aan dat de publieke omroep met name een functie heeft in het tot stand brengen van content met een publiek belang die niet via de markt tot stand komt: “Het kabinet onderscheidt vier hoofdargumenten voor het bestaan van het publieke mediabestel. Ten eerste is er, hoewel er veel aanbod is, content die niet of slechts in geringe mate op de markt tot stand komt en wél een publiek belang dient. Het gaat daarbij vooral om informatieve en culturele programmering, hoogwaardig drama of educatieve kinder)programmering. Domeinen die voor marktpartijen die afhankelijk zijn van reclame-inkomsten doorgaans minder interessant zijn, zeker ook vanwege de hoge productiekosten en specifieke doelgroep van dit type programmering.” (p. 4-5).
    2. Er is een duidelijk besef dat er behoefte is aan een onafhankelijk media-aanbod: “Ten derde is het belangrijk dat er media-aanbod is waar mensen op kunnen vertrouwen. Voor burgers is de kwaliteit, afzender en betrouwbaarheid van media-aanbod dat op de markt tot stand komt niet altijd eenvoudig te bepalen. Het is belangrijk dat er een informatievoorziening is waarvan zeker is dat deze onafhankelijk is gemaakt. Onafhankelijk van inmenging van overheden, bedrijven en belangenorganisaties. Of zoals de raad het omschrijft: “Een onafhankelijke en betrouwbare omroep is een belangrijke, continue en stabiele bijdrage aan wat de commissie de publieke omgeving, publieke sfeer noemt.” (p. 5).

    Hoe anders is dit in de wetenschapsvisie: “Financiering via NWO wordt mede afhankelijk gesteld van investeringen door deelnemende partijen (matching en cofinanciering). Voorstellen worden beter beoordeeld als er wordt samengewerkt met bedrijven en instituten voor toegepast en praktijkgericht onderzoek, bijvoorbeeld in regionale samenwerkingsverbanden.” (Wetenschapsvisie, p. 28). Ergo: hoe groter de mogelijkheden om uw onderzoek via de markt tot stand te brengen, des te groter de kans dat hiervoor publieke middelen beschikbaar worden gesteld. Waar de publieke omroep moet aantonen dat ze programma’s maakt die belangrijk zijn maar niet via de markt tot stand komen, wordt aan wetenschappers juist gevraagd aan te tonen dat er markt is voor hun onderzoek.

    Let wel, dit is geen pleidooi voor een ivoren-toren wetenschap. Integendeel, ik vind het belangrijk dat wetenschappers net als de publieke omroep kennis blijven uitzenden; onafhankelijke wetenschappers zijn voor de overheid en het publiek een belangrijke bron voor advies en expertise. Wanneer ik als econoom word gevraagd advies aan een ministerie of toezichthouder te geven doe ik dat in het algemeen graag.
    Ook weet ik uit eigen ervaring dat de samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven buitengewoon vruchtbaar kan zijn indien beide partijen een oprechte interesse voor de beantwoording van een wetenschappelijke vraag met elkaar delen. De wetenschapper heeft vaak de behoefte aan toegang tot data of deelnemers aan een enquête of veldexperimenteel onderzoek, bedrijven en organisaties kunnen dit bieden in ruil voor een gedegen wetenschappelijke analyse, waarbij de wetenschapper de vrijheid heeft om ongeacht de uitkomst te publiceren. Het wetenschappelijk gehalte van dit soort studies leunt echter op de onafhankelijkheid van de betrokken wetenschapper die de mogelijkheid moet hebben om een project te stoppen indien de onderzoeksopzet niet aan bepaalde standaarden voldoet of de onderzoeksvraag meer een bedrijfsbelang dan een wetenschappelijk belang dient. Dit is niet langer geborgd wanneer de financiering via NWO verknoopt wordt met de belangen van grote variëteit aan stakeholders, waaronder ook maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en ministeries. Zoals Van Damme (p. 7) stelt: “Industrial Policy” should not be mixed up with “Science Policy”

    Bovendien komen dit soort samenwerkingen vaak spontaan en ongestructureerd tot stand: je komt op toevallige wijze met elkaar in contact, er ontstaat vertrouwen en na een aantal gesprekken besluit je een gezamenlijk onderzoeksproject op te tuigen. De beloning voor de wetenschapper is een mogelijke publicatie, voor het bedrijf een mogelijke verbetering in de bedrijfsprocessen die ook economisch-maatschappelijk nuttig is.
    Dit type publiek-privaat onderzoek is maatwerk en daarom weinig gebaat bij een “éénvormige bureauorganisatie” van bovenaf, “die in staat is snel en slagvaardig in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, en die de opgebouwde ervaring, bijvoorbeeld op het gebied van publiek-private samenwerking, borgt en breed kan toepassen.” (p. 31) zoals het kabinet in de wetenschapsvisie voorstelt. Voor mijn eigen vakgebied zie ik niet hoe dergelijke rigide structuren onderzoek en creativiteit zullen stimuleren.

    Tot slot, The Economist (http://www.economist.com/news/europe/21636060-not-elite-improving-german-universities-bet-middle-way-between-great-and-so-so) memoreerde onlangs nog terloops hoe goed Nederlandse universiteiten het doen, en dat zonder verregaande nationale sturing. Kennelijk leidt het huidige systeem waarin wetenschappers binnen het wetenschappelijke domein met elkaar concurreren niet tot zulke slechte resultaten.

    • Organisatie: Rijksuniversiteit Groningen
    • Functie: Hoogleraar micro-economie
  • Ferry de Jong 27 december 2014 - 21:44

    Met het meeste van hetgeen al eerder op dit forum is gesteld, ben ik het eens. Een aantal van mijn eigen bedenkingen bij de Wetenschapsvisie 2025 is dan ook door anderen al verwoord. Ik formuleer ze hier toch, om zo in ieder geval ook in kwantitatieve zin aan de kritiek bij te dragen. Een onderdeel in de Wetenschapsvisie 2025 dat mij overigens wel goed bevalt, is het erin uitgesproken streven om publicatiedruk en aanvraagdruk te verminderen. Ik heb mijn bedenkingen bij de Wetenschapsvisie 2025 gegroepeerd in drie thema’s.

    1. (On)afhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek
    Met de term ‘onafhankelijkheid’ van wetenschappelijk onderzoek worden verschillende zaken bedoeld, waartussen moet worden onderscheiden. De voornaamste betekenis van deze aanduiding betreft een harde eis die rechtstreeks de integriteit van het wetenschappelijk bedrijf raakt: de eis namelijk dat de wijze van uitvoering en vooral de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet – door opdrachtgevers of subsidieverstrekkers – van een (voorafgaand) verlof afhankelijk worden gesteld. Een vorm van wetenschapsbeoefening die niet minst genomen in deze zin ‘onafhankelijk’ mag heten, getuigt van zelfverkrachting.
    Maar vormen van wetenschapsbeoefening die volkomen beantwoorden aan dit strikte, niet-onderhandelbare criterium voor onafhankelijk onderzoek, behoeven uiteraard niet noodzakelijkerwijs ook in wijdere zin ‘onafhankelijk’ te zijn. Wetenschappelijk onderzoek dat die naam waard is, kán goed samengaan met vormen van voorafgaande agendering van onderzoeksthema’s en -vraagstellingen waaraan de uitvoerende onderzoekers in meer of minder strikte zin gebonden zijn. Dit gebeurt, als bekend, al zeer lang op het niveau van onderzoeksgroepen, faculteiten en universiteiten en vanuit het ministerie (met door visitatiecommissies periodiek beoordeelde onderzoeksprogramma’s, onderzoekszwaartepunten, strategische thema’s, het topsectorenbeleid en wat er al niet meer voorhanden is of is geweest). De Wetenschapsvisie 2025 stelt in het vooruitzicht dat hieraan nog een extra gezagslaag wordt toegevoegd; door een lijst op te stellen van overkoepelende vraagstukken en door de kansen op subsidies mede afhankelijk te stellen van de mate waarin onderzoekers zich daarbij aansluiten en aannemelijk weten te maken dat zij op liefst korte termijn aan de beantwoording ervan effectief kunnen bijdragen, worden wetenschappers genudged om zich vooral met de gecanoniseerde thema’s in te laten.

    2. Hervorming van NWO en de inbreng van ‘buitenstaanders’
    De agendering van bepaalde overkoepelende thema’s en vraagstukken wordt bovendien (verder) uit handen genomen van de wetenschappers zelf: niet alleen het bedrijfsleven, ook panels van burgers worden geïnvesteerd met een zekere beslismacht ten aanzien van de onderwerpen die met publieke middelen bekostigd wetenschappelijk onderzoek zou moeten adresseren. Zoals hieronder opgemerkt door Cristine Mummery: ‘In de wetenschapsvisie 2025 gaat de bezem door NWO. De blauwdruk voor NWO wordt een topzwaar bestuur dat zeggenschap krijgt over wat wij onderzoeken en hoe het budget uitgezet wordt. In die taak worden ze geholpen door een raad van advies die bestaat uit stakeholders. Daartoe worden, behalve wetenschappers, ook maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en ministeries gerekend.’ De huidige gebiedsbesturen in de handen van wetenschappers zelf zouden dan verdwijnen en plaats moeten maken voor één dikke, bureaucratische bestuurslaag verbonden met vooralsnog raadselachtige adviesraden, toezicht van universiteitsbestuurders, maatschappelijke groepen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven.
    Als bezwaar hiertegen kan (en wordt) aangevoerd dat deze vorm van wetenschapsplanning – helemaal als zij wordt gekoppeld aan een op punten wat naïef en inflatoir model van valorisatie-monitoring – de praktijk van de wetenschapsbeoefening ten enenmale miskent: belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen plegen niet het resultaat te zijn van vooraf minutieus gepland, voorspelbaar en boekhoudkundig keurig verantwoord onderzoek. (Overigens is de huidige indeling in wetenschapsdomeinen binnen NWO voor het juridisch onderzoek ook niet in alle opzichten heel vruchtbaar.) In ieder geval wordt zo de van oudsher gekoesterde ruimte om in onafhankelijkheid de vragen te formuleren die wetenschappelijke aandacht vereisen of rechtvaardigen (verder) ingeperkt.
    De vraag is of en in hoeverre dat laatste werkelijk problematisch is. Met Trudy Dehue (in NRC Handelsblad van 27 december 2014) ben ik het wel eens dat wetenschappelijk onderzoek nogal eens de werkelijkheid ‘veel meer vorm [geeft] dan dat zij hem bloot legt’ (zij geeft daarvan ook plausibele voorbeelden), zodat het ‘hoog tijd [wordt] dat buitenstaanders de wetenschap niet langer klakkeloos bewonderen (of verguizen), maar serieus gaan meekijken in de private zowel als publieke keukens die hun kostjes koken’. En daar komt nog het meer algemene argument bij, dat voor zover wetenschappelijk onderzoek met publieke middelen wordt gefinancierd, ook enige publieke controle mogelijk moet zijn op de keuze van de vragen ter beantwoording waarvan deze middelen worden aangewend.
    Toch blijf ik zitten met het punt dat de voorgestelde inbreng van buitentaanders mij, per saldo, wat te populistisch voorkomt. Het lijkt me in dit verband niet te vergezocht om een parallel met de kunstensector aan te wijzen. De drastische bezuinigingen en subsidiekortingen die de kunsten ten deel zijn gevallen, gingen in vergelijking met de optimistische taal in de Wetenschapsvisie 2025 weliswaar vergezeld van veel benepener (en soms zelfs op het beledigende af) getoonzette beleidspraatjes, maar de achterliggende ideologie lijkt me sterk overeenkomstig. Kunstenaars zijn met hun rug naar de samenleving gaan staan, terwijl zij voor de vervaardiging van hun alleen voor ingewijden eventueel begrijpelijke of op waarde te schatten kunstwerken ondankbaar en potverterend aan het infuus van de door belastingen opgebrachte subsidies liggen. Het Mondriaanfonds – de belangrijkste verstrekker van subsidies aan kunstenaars – is gaan (of gaat) werken met beoordelingspanels waarin niet alleen kunstenaars maar ook buitenstaanders vertegenwoordigd zijn. Wetenschappers zijn echter ook niet te vertrouwen; zij zitten te veel opgesloten in ivoren torens, bekommeren zich te weinig om de maatschappelijk waarde van hun werkzaamheden (en valoriseren dus te weinig). De onder directie van Vadertje Staat (een veelgebruikte term in de column van Piet Borst in NRC Handelsblad van 27 december 2014) te faciliteren inbreng van bedrijfsleven en burgers wordt kennelijk (mede) nodig geacht om wetenschappers weer met de realiteit in aanraking te laten komen. (Het doet me denken aan de aantijging aan het adres van rechters, dat zij wereldvreemd zijn en in ivoren torens machtsoordelen uitspreken die niet aansluiten bij opvattingen en gevoelens van de gemiddelde mens, terwijl de rechter vaak in een paar jaar tijd toch echt een vele malen rijker rariteitenkabinet aan levensepisoden voor zich voorbij ziet trekken dan een gemiddeld mens in heel zijn leven.) Daarbij komt dat ik vrees dat hier wel eens van een wassen neus sprake zal kunnen gaan zijn: net als kunstenaars zijn wetenschappers creatieve mensen die zich niet gemakkelijk laten voorschrijven wat zij moeten doen.

    3. Valorisatie-inflatie
    De Wetenschapsvisie 2025 meldt dat financiering via NWO mede afhankelijk wordt gesteld van investeringen door deelnemende partijen (matching en cofinanciering) en dat onderzoeksvoorstellen beter zullen worden gewaardeerd indien wordt samengewerkt met bedrijven en instituten voor toegepast en praktijkgericht onderzoek, bijvoorbeeld in regionale samenwerkingsverbanden. Bovendien moeten individuele wetenschappers kennelijk worden ‘aangemoedigd’ in hun inspanningen op het vlak van valorisatie: NWO zal valorisatie – zowel in het vooruitzicht gestelde valorisatie als in het verleden gerealiseerde valorisatie – sterker gaan meewegen bij het beoordelen van onderzoeksvoorstellen. Deze verdere intensivering van de sturing van wetenschappelijk onderzoek zal kunnen leiden tot een riskante inflatie van het begrip valorisatie, zoals ook Willem J.M. Levelt hieronder al opmerkte: ‘Het valorisatie-uitgangspunt zal een nieuwe type schending van wetenschappelijke integriteit in de hand werken: niet meer het verzinnen van data, maar het verzinnen van (vergezochte) valorisatie.’
    Uit de Wetenschapsagenda 2015 lijkt te kunnen worden opgemaakt dat valorisatie toch in grote hoofdzaak wordt beschouwd als een vorm van verzilvering van economisch nut op de kortere termijn en als een criterium voor maakbaarheid en voorspelbaarheid van onderzoek. Een dergelijke visie laat wel heel weinig ruimte voor fundamenteel, grondslagentheoretisch onderzoek. Markus Düwell schreef in dit verband terecht: ‘Innovatieve wetenschap vereist dat zij op korte termijn in zekere zin nutteloos mag zijn’ (bijdrage van 8 december 2014 op bijnaderinzien.org/). Bovendien wordt zo miskend – hoewel aan het belang hiervan in de Wetenschapsvisie 2025 wel enige lippendienst wordt bewezen – dat valorisatie aan de universiteit vooral bestaat in het doorgeven van door onderzoek opgebrachte kennis via het academisch onderwijs en de ontwikkeling van het vermogen tot kritisch denken bij jonge mensen. Besturen is in de eerste plaats dienen; de in de Wetenschapsvisie 2025 ontvouwde gezichtspunten lijken – de optimistische en hier en daar jubelende toonzetting ten spijt – evenwel niet de wetenschap maar vooral de commercie van dienst te willen zijn.

    • Organisatie: Universiteit Utrecht
    • Functie: Hoogleraar strafrecht
  • Andries van der Meer 24 december 2014 - 16:25

    Het is een goede zaak dat de opstellers van de Wetenschapsvisie zoeken naar stevige maatschappelijke inbedding van wetenschap. Het is alleen de vorm – een Nationale Wetenschapsagenda – die slecht gekozen is.

    Het kan niet zo zijn dat maatschappelijke organisaties en bedrijven beslissen wat voor wetenschappelijk onderzoek wel en niet thuishoort op Nederlandse onderzoeksinstituten. Dergelijke organisaties hebben helemaal de expertise niet in huis hebben om de wetenschap te sturen. Wetenschappers hebben er zelf al een dagtaak aan om nieuwe, veelbelovende onderzoeksgebieden te ontsluiten en teleurstellende onderzoekslijnen af te kappen. Niet zo vreemd, omdat het continu herijken van onderzoeksrichtingen nu eenmaal raakt aan de kern van ons werk. Wetenschap is dynamisch en evolueert continu. Wat twee jaar geleden een veelbelovend nieuw onderzoeksgebied leek kan vandaag alweer uitgeblust zijn. Da’s niet makkelijk te vangen in een star document als de Nationale Wetenschapsagenda.

    Dat neemt niet weg dat in het bepalen van onderzoekslijnen de stem van niet-wetenschappelijke belanghebbenden heel belangrijk kan zijn. Voor veel wetenschappelijk werk is een aanhoudende dialoog met maatschappelijke partners essentieel. Bedrijven, patiëntenorganisaties, regelgevende instanties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit en richting van wetenschap wanneer zij de dialoog aangaan met onderzoekers.

    Dát is waar de Nationale Wetenschapsvisie plek voor had moeten inruimen: hoe faciliteren we de dialoog tussen wetenschap en maatschappij, zonder afbreuk te doen aan de dynamiek van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek? Dit kan bijvoorbeeld door het organiseren van workshops met wetenschappers en maatschappelijke partners, door het ondersteunen van tech transfer offices aan universiteiten, door het organiseren van de Nationale Wetenschapsdag, door het faciliteren en belonen van gedegen wetenschapscommunicatie, etc.

    Er is genoeg inspiratie te vinden in het huidige systeem om de wetenschap op een betekenisvolle manier in te bedden in de maatschappij, zónder daarbij de maatschappelijke partners direct te laten (mee)beslissen over de wetenschappelijke richting. Dat laatste is immers vakwerk, en kan het best worden overgelaten aan wetenschappers zelf.

    (Ik sluit me trouwens aan bij eerdere reageerders dat de reacties van Nederlandse wetenschappelijke organisaties, zoals de VSNU en de Jonge Akademie, opmerkelijk lauw waren. Vreemd, gezien de controverse die deze plannen onder individuele wetenschappers teweeg lijkt te brengen.)

    • Organisatie: Harvard University
    • Functie: Senior Research Fellow
  • Birgit Meyer 23 december 2014 - 19:30

    Zowel op deze site als ook in de publieke discussie (o.a. in Volkskrant en NRC) is al veel kritiek op de inhoudelijke oriëntatie van de zogenaamde Wetenschapsvisie naar voren gebracht. Duidelijk is dat het de opstellers aan een echte “visie” ontbreekt – en juist die is hard nodig. Voortgaan op de voorgestelde weg komt neer op een rampkoers die uiteindelijk de goede internationale positie van Nederlandse wetenschap – m.i. gebaseerd op investeringen in het verleden – onderuit zal halen. Dit geldt zeker voor de Geesteswetenschappen en Sociale Wetenschappen, die in de afgelopen jaren al minder goed werden bedeeld en die door maatregelen zoals het instellen van het topsectorenbeleid steeds meer werden gemarginaliseerd. Mocht de Wetenschapsvisie in de huidige vorm daadwerkelijk worden geïmplementeerd zal dat aanzienlijke repercussies hebben voor de internationale positionering en profilering van het alfa- en gamma onderzoek aan Nederlandse universiteiten (terwijl dit een enorme bijdrage levert voor het aanzien van Nederlands onderzoek, zoals dat via allerlei internationale indexen tot uitdrukking komt).

    Op verschillende plaatsen in de “Wetenschapsvisie” wordt met instemming verwezen naar o.a. Duitsland. Zo wordt op pagina 8 beweert dat ook Duitsland (en Denemarken) een wetenschapsagenda hebben “opgesteld waarin onderzoeksprioriteiten worden gepresenteerd en vastgelegd.” Door zo’n retorische formulering wordt de suggestie gewekt dat Nederland het goede voorbeeld van o.a. de oosterburen zou volgen. Niets is minder waar. Er bestaat in Duitsland geen document dat vergelijkbaar is met de Nederlandse Wetenschapsvisie. Wel bestaat er een document van de Wissenschafsrat, “Perspektiven des deutschen Wissenschaftssystems” (2013, http://www.wissenschaftsrat.de/download/archiv/3228-13.pdf), waarin maatregelen en strategieën voor de verdere ontwikkeling van het Duitse wetenschappelijke stelsel worden voorgesteld. Het document wijst op de noodzaak om te investeren in o.a. de verhoging van de aantrekkingskracht en kwaliteit van universitaire studie, de aantrekkingskracht van universitaire posities, de verhoging van de basisfinanciering van de universiteiten, en additionele middelen voor profilering op het niveau van de universiteiten. Daarnaast wordt een reeks extra investeringen voorgesteld, waaronder een voortzetting van de Exzellenzinitiative, het uitbouwen van verschillende buitenuniversitaire onderzoeks-infrastructuren (zoals de Leibnitzgemeinschaft, de Max Planck Gesellschaft, de Helmholtz-Gemeinschaft) alsmede de samenwerking van wetenschap en economie op basis van “best practices”. Waar echter de portee van de Nederlandse Wetenschapsvisie vooral neerkomt op dit laatste punt, is het advies van de Wissenschaftsrat uitgebalanceerd en beveelt het aan om in het in veld als geheel te investeren.

    Zoals bekend worden de Geestes- en Sociaalwetenschappen in Duitsland in vergelijking met Nederland zeer goed gefaciliteerd (en in de maatschappij gewaardeerd). Naast onderzoekfondsen die via de Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG – evenknie van NWO, zie: http://www.dfg.de/download/pdf/dfg_im_profil/geschaeftsstelle/publikationen/dfg_jb2013.pdf) beschikbaar zijn, zijn er fondsen via het Ministerie voor “Bildung und Forschung” (http://www.bmbf.de/foerderungen/677.php) , en tal van Stichtingen, zoals de Alexander von Humboldt Stiftung die ook nog eens door de Duitse overheid worden gefinancierd. Kortom, deze situatie is volstrekt onvergelijkbaar met die in Nederland.

    Ik zelf ben lang geleden – in 1985 – vanuit Duitsland naar Nederland gekomen om hier culturele antropologie te studeren. Destijds vond ik de manier waarop aan Duitse universiteiten aan onderwijs en onderzoek werd gedaan behoorlijk provincialistisch en eng. In Nederland (om precies te zijn aan de UvA) werden mijn stoutste verwachtingen overtroffen. Ik heb van het AIO-stelsel en allerlei NWO programma’s die vrij onderzoek mogelijk maakten mogen profiteren. Ik heb hier altijd met veel plezier en inzet gewerkt. Echter, de sinds de invoering van het topsectorenbeleid ingezette lijn heeft de mogelijkheden voor onderzoek en creatieve ontplooiing – ook voor jong talent – al meer beperkt. Inmiddels is duidelijk dat waar men in Duitsland bezig is met een enorme inhaalslag, in Nederland de financiering van vrij en fundamenteel onderzoek al meer achteruit gaat en de politici en beleidsmakers die erover gaan een al meer bekrompen en kortzichtige houding erop na houden. Het is veelzeggend dat in de Wetenschapsvisie op zo’n misleidende manier naar hetgeen in Duitsland zou gebeuren wordt verwezen. Laten we er alles aan doen om deze voortdenderende trein een andere koers te laten inslaan, en – al zeg ik dat beslist niet graag – werkelijk een voorbeeld nemen aan wat er in Duitsland op het gebied van brede onderzoeksfinanciering en extra investeringen gebeurt.

    • Organisatie: Universiteit Utrecht
    • Functie: hoogleraar religiewetenschap
  • Raymond Poot 20 december 2014 - 16:21

    Ik ben het eens met de reactie van de KNAW op Wetenschapsvisie 2025 en de zorgen, meningen en argumenten zoals die zijn geuit door o.a. Piet Borst, Frank Staal en Christine Mummery op dit podium. Met grant-toewijzingingspercentages in de fundamentele wetenschap beneden de 10% draait het systeem zichzelf in de grond. “Beter plannen met minder” werkt niet in de huidige slechte financiële staat van de Nederlandse wetenschap en zal Nederland zijn prominente internationale positie doen verliezen, hetgeen een moeilijk omkeerbaar proces zal blijken te zijn.

    • Organisatie: Erasmus MC
    • Functie: universitair hoofddocent/onderzoeker
  • Floor Basten 17 december 2014 - 17:26

    Het valt ons als ‘extra muros’ academici die buiten de universiteit werken op dat een aantal argumenten tegen de Wetenschapsvisie te maken heeft met het behoud van het instituut ‘Universiteit’. Wij hebben de uitdaging aangenomen om de Wetenschapsvisie en met name de Nationale Wetenschapsagenda vanuit onze eigen positie op haalbaarheid in te schatten en kwamen daarbij op een aantal kritische kanttekeningen, maar ook op een aantal voorwaarden waaronder deze Nationale Wetenschapsagenda een succes kan worden. Lees verder op http://bit.ly/1wCI0Nj of op http://bit.ly/1wZhJe5 (zelfde tekst).

    Tevens roepen we andere extra muros wetenschappers op ook te reageren via het podium van de KNAW. Wij hebben tenslotte een bijzondere positie tussen de disciplinaire wetenschapspraktijk en de dynamische en chaotische hectiek van de samenleving. De expertise die we daarbij hebben opgedaan, kan de vorming van de Nationale Wetenschapsagenda zeer ten goede komen.

    • Organisatie: Campus Orleon
    • Functie: directeur
    • Floor Basten 17 december 2014 - 17:32

      Het ‘ons’ over wie ik het heb in onze reactie, is naast mij ook dr. Heidi de Mare, directeur van de stichting Instituut voor Maatschappelijke Verbeelding. We hopen daarnaast natuurlijk ook te horen van anderen dat ze zich in dit ‘ons’ kunnen vinden.

      • Organisatie: Campus Orleon
      • Functie: directeur
      • Rob van Gestel 17 december 2014 - 21:30

        Als ik de tekst van Basten en De Mare goed begrijp zijn de wetenschappers binnen de universiteit die fundamentele kritiek hebben op de wetenschapsvisie van het kabinet kennelijk niet in staat tot enige behoorlijke reflectie op de in hun ogen vaak abstracte, droge en arm aan ideeën zijnde plannen van het kabinet. Dat komt kennelijk omdat wij – de jongens en meisjes binnen de universiteit – ons in een ivoren toren bevinden en de wereld van vandaag en (vooral) morgen niet meer begrijpen.

        Dit laatste heb ik me onlangs ook door een bescheiden cultuursocioloog laten uitleggen die ook niet kon vatten waarom niemand, behalve hijzelf uiteraard, snapte wat voor fundamentele veranderingen er gaande zijn in de verhouding wetenschap en samenleving. Toen al werd mij duidelijk dat er gelukkig ook mensen zijn die het allemaal wel begrijpen. Het zit namelijk zo:

        Wij gaan een wetenschap 2.0 tegemoet, waarin we niet meer in tegenstellingen tussen markt en universiteit moeten denken. Sommige traditionele wetenschappers aan de universiteit hebben alleen nog niet door dat wij voor een Umwertung aller Werte staan. Daarin zullen burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven hun positie in de wetenschap opeisen en zullen wij naar nieuwe creatieve vormen van co-creatie van wetenschappelijk onderzoek toe moeten.

        Prachtig! Wat een geluk ook dat er nog altijd mensen zijn die ons uit de ivoren toren van de universitas willen bevrijden en ons naar het licht willen leiden.

        Er is alleen een klein dingetje dat ik nog niet goed begrijp. Waarom hebben de extra muros wetenschappers dan eigenlijk geld van NWO nodig? Als er niets mis is met het geld van bedrijven en samenwerken met private opdrachtgevers ook niet schadelijk is voor je onafhankelijkheid en deze wetenschappers 2.0 zo innovatief en creatief zijn, waarom moet de overheid dan bijspringen? Zeker nu die bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties toch al zo vrijgevig zijn en bereid zijn tot coöperatie.

        Het deed mij denken aan de titel van een prachtig boek over markt en universiteit: “If you’re so smart, why aren’t you rich?”

        Hoe zit dat eigenlijk dames?

        • Organisatie: Tilburg University
        • Functie: Hoogleraar
  • Anton Koning 15 december 2014 - 10:14

    Ook ik deel de zorgen van mijn collega-onderzoekers, die hier hun reactie geplaatst hebben. Over de periode 2012 – 2015 zie ik bij het thema Biomedische Wetenschappen van de Erasmus MC, dat zich met grotendeels fundamenteel onderzoek bezig houdt, het personeelsbestand met maar liefst 30% (ruim 100 fte) afnemen, met name als gevolg van de teruglopende financiering. Wanneer er bij invoering van de Wetenschapsagenda nog minder geld voor fundamenteel onderzoek beschikbaar komt, kunnen we hier ‘het licht wel uit doen’. Wat de Nederlandse wetenschap nodig heeft, is meer geld, niet meer beleid.

    Nog meer competitie zal er toe leiden dat het onmogelijk wordt om als jonge wetenschapper een nieuwe richting in te slaan: De duivel schijt immers altijd op de grootste hoop; het is voor grote gevestigde onderzoeksgroepen nu al veel makkelijker om geld binnen te halen, dan voor kleine, onbekende groepen. Het nog verder opvoeren van de prestatiedruk zal alleen maar leiden tot meer affaires, waarbij wetenschappers hun integriteit opzij zetten om maar mee te kunnen blijven doen in de ‘rat race’.

    Ten slotte ben ik van mening dat het geloof in de publiek-private samenwerking een utopie is. Bedrijven zijn er als eerste op uit om winst te maken, de rest is bijzaak. Bijdragen van bedrijven in onderzoeksprojecten bestaan vaak uit ‘in kind’ matching, in de vorm van producten (of personeel) en maar zelden uit financiële middelen. Het gevolg hiervan is dat er een band gecreëerd wordt, die de onafhankelijkheid van de onderzoeker in gevaar brengt.

    • Organisatie: Erasmus MC
    • Functie: Universitair Docent
    • Jurriaan Schmitz 15 december 2014 - 15:02

      De ene discipline leent zich beter voor publiek-private samenwerking dan de andere. Onze afdeling Elektrotechniek, die juist veel onderzoek in samenwerking met het bedrijfsleven uitvoert, zou gezien de mooie dromen van onze regering de wind in de rug moeten hebben. Maar ook onze vaste staf is in 5 jaar met 30% geslonken, deels met gedwongen ontslagen. De belangrijkste externe oorzaken waren de zogeheten ‘Plasterkkorting’ en het wegvallen van de BSIK-regeling. Ik sluit me dan ook aan bij Konings stelling dat meer geld nodig is in plaats van meer beleid (of erger: meer regie door stakeholders i.p.v. ter zake deskundigen).

      • Organisatie: Universiteit Twente
      • Functie: Hoogleraar
  • Helen De Cruz 14 december 2014 - 15:51

    Ik ben momenteel nog onderzoeker aan de University of Oxford, maar kom binnenkort naar Nederland. Een opmerkelijk punt dat de Wetenschapsvisie niet ter discussie stelt – en ik vind het opmerkelijk omdat er meer en meer kritiek op komt in vergelijkbare systemen, zoals in het Verenigd Koninkrijk, is de nadruk op competitie als een manier om excellentie te garanderen. De wetenschapsvisie heeft het over “een cultuur, waarin kwaliteit wordt beloond. Competitie is hiervan een onderdeel en een belangrijke drijfveer voor wetenschappelijke vooruitgang. De goede werking van de competitieve financiering in Nederland hangt samen met het goede internationaal georiënteerde evaluatiesysteem, gericht op de borging van de kwaliteit van het onderzoek. De implementatie van de onderzoeksevaluaties in de jaren negentig van de vorige eeuw was een belangrijke factor in het ontstaan van een competitieve cultuur waarin excellentie vereist is” (p. 22-23).

    Competitie bevordert weliswaar excellentie, zij heeft ook kosten – als je de analogie maakt met natuurlijke selectie in evolutietheorie: het selectieproces is enorm spilzuchtig. Er gaat veel geld om in onderzoeksevaluaties en in NWO. De meeste onderzoeksvoorstellen worden niet gehonoreerd, wat neerkomt op een groot verlies van onderzoekstijd. Neem NWO waar zo’n 5000 voorstellen worden ingediend, waarvan minder dan 25% wordt gehonoreerd. Dat betekent dus dat er elk jaar minstens 3750 voorstellen zijn die niet worden toegekend, waarvan er een heel aantal goede evaluaties krijgen maar geen honorering omdat er niet voldoende geld is. Als je ongeveer een maand onderzoekstijd rekent voor een aanvraag, en laat ons zeggen nog eens een dag onderzoekstijd per referee om de aanvraag te beoordelen, dan heb je *meer dan 300 jaar onderzoekstijd* die elk jaar verloren gaat. Tijd die men ondertussen kon besteden aan het werken aan allerlei wetenschappelijke vraagstukken. Zelfs als het proces volstrekt feilloos is, is dit zeer moeilijk te rechtvaardigen.

    Bovendien creëert een competitieve cultuur van evaluaties en het sprokkelen van onderzoekstijd en geld ook kosten in termen van de werkatmosfeer: wetenschap werkt het best indien mensen met elkaar samenwerken, maar een competitieve cultuur ontmoedigt dit (zeker onderzoeksverbanden tussen mensen van verschillende universiteiten). Dan zijn er ook nog de psychologische kosten. In de UK, waar ik nu werk, is er ontzettend veel kwaliteitscontrole. Er is elk 6 jaar de REF, een grootschalige kwaliteitscontrole waarbij de universiteiten moeten beroep doen op experts om een sterk verslag in te dienen, waardoor ze voldoende onderzoeksgeld krijgen. Stefan Grimm benam zich het leven toen bleek dat hij niet voldoende onderzoeksgeld genereerde, en zijn baan op de helling kwam. Grimm had een uitstekende publicatielijst maar hij haalde niet het grote geld binnen. In de UK kampen veel onderzoekers met psychiatrische problemen, zoals depressie, en de tevredenheid van onderzoekers is er lager dan in de andere landen. Men zou in Nederland dus goed moeten nadenken om het niet zover te laten komen. Onderzoeksgeld zou moeten een *middel* zijn die onderzoekers in staat stelt tot het doen van uitstekend onderzoek. Het mag zeker nooit een *doel* op zichzelf worden, maar ik vrees dat dat zowel in de UK als in Nederland niet meer het geval is.

    • Organisatie: VU Amsterdam
    • Functie: Universitair Docent
    • Andrel Linnenbank 14 december 2014 - 22:50

      Het probleem met competitie is dat je mensen selecteert die goed zijn in competities en dat je dus niet meer zuiver op wetenschappelijke kwaliteiten selecteert. De universitaire wereld wordt daarmee een monocultuur van berekenende en egoistische haantjes. (Zie ook mijn opmerkingen bij ‘Gelijke kansen’.)
      Het systeem is ook sterk niet-lineair. Om geld te krijgen moet je een ‘goede wetenschapper zijn’ en hoe ‘goed’ je bent hangt af van hoeveel geld je al binnen hebt gehaald. En hoeveel je gepubliceerd hebt, maar dat is dus ook weer afhankelijk van je financiering en hoeveel mensen je voor je kan laten werken. Een onderzoeker kan zich dan ook eigenlijk niet permiteren om een periode minder productief te zijn, zeker niet aan het begin van de carriere.
      De huidige vorm van competitie leidt er ook toe dat over de hele wereld heel veel onderzoekers aan hype onderwerpen werken en snel moeten publiceren voordat een ander het doet. Ook dat leidt wereldwijd tot een grote verspilling van tijd en talent.
      Inderdaad dus alle reden om serieus na te denken over andere, minder verspillende, manieren om onderzoek te financieren.

      • Organisatie: ex-AMC/ex-ICIN
      • Functie: was onderzoeker in 'tijdelijke' dienst
  • F.A. Muller 13 december 2014 - 14:20

    Josef Stalin wilde ooit de economie plannen (Nieuwe Economische Politiek, NEP) en de grootste hongersnoden in de geschiedenis van de mensheid waren het gevolg. In mijn oratie in Mei 2014 heb ik uitgelegd dat we het wereldwijde web te danken hebben aan de jacht op het Higgsboson, de zonnecel aan de ruimtevaart, de computer aan het grondslagen-onderzoek in de wiskunde, enz. Wetenschap en haar toepassingen laten zich niet plannen! De 2de Kamer moet haar verantwoordelijkheid nemen en dit onzalige idee wegstemmen. Geen WetenschapsAgenda!

    Geruchten zingen rond dat het `top-sectoren-beleid’ bankroet is. Had iedereen kunnen zien aankomen. Grote bedrijven hebben hun eigen afdeling voor Research & Development en zitten niet te wachten op samenwerking met de overheid. Het midden- en kleinbedrijf moet de tering naar de nering zetten en heeft geen geld voor ‘top-sectoren-onderzoek’. Meer dan 50% van het bedrijsleven en de industrie zijn we dan al kwijt. Omdat NWO verplicht is een flink deel (40%?) van het totale onderzoeksbudget aan flop-sectoren te besteden, gaan er bakken met geld naar idiote flopprojecten. Terwijl het echte onderzoek verpietert. Dat Bussemaker & Dekker dit beleid van Verhaegen voortzetten, bewijst dat beiden tittel noch ioata begrijpen van wetenschap — zoals ook blijkt uit hun dictatoriale planningswaan (zie boven).En indien het flop-sectoren-beleid tot onmiddellijk toepassing in de industrie leiden, dan is dit concurrentievervalsing.

    De pers-presentatie van de WetenschapsVisie (met een taalfout in de ondertitel) was ook een strak geregiseerde show, waar Bussemaker & Dekker als zieners met applaus werden onthaald, en voorgeprogrammeerde vragen na afloop voorgeprogrammeerde antwoorden kregen. De tijden van de Sovjet-Unie herleven. Iemand had de euvele moed te vragen hoeveel miljard er extra bij komt om die WetenschapsAgenda uit te voeren. Nix, nada, nihil, 0,0.

    NWO, dat door de flop-sectoren onder de bemoeizucht van het ministerie van binnenlandse (of economische?) zaken valt, krijgt een Triumviraat aan het hoofd dat van alles gaan beslissen. Kremlin gekruid met Romeinse Rijk, dat zitten we mee.

    In mijn oratie heb ik ook verkondigd dat het allermoeilijkste probleem, moeilijker dan het geest-lichaam-probleem, moeilijker dan de interpretatie van de quantummechanika, moeilijk dan het vermoeden van Goldbach bewijzen, moeilijker dan de quantumfysika en de algemene relativiteitstheorie samen te voegen tot een toetsbare theorie, enz., dit probeem is: hoe breng je politici die aan de macht zijn aan hun verstand dat ze met een *mission destroy* bezig zijn?

    Aan Bussemaker & Dekker: niemand in de akademische wereld voelt zich door u vertegenwoordigd. Het zou van sado-masochisme getuigen dit wel te voelen. Gaat u alstublief heen met uw destructieve beleid en beleidsvoornemens.

    Aan onze Volksvertegenwoordiging: fik dat wanbeleid van Bussemaker en Dekker af en dien een motie van wantrouwen in, namens alle wetenschapsbeoefenaren in Nederland. Red de wetenschap en daarmee onze cultuur en onze welvaart.

    • Organisatie: Erasmus Universiteit Rotterdam & Universiteit Utrecht
    • Functie: Hoogleraar Filosofie der Exacte Natuurwetenschappen
  • Jos Aarts 12 december 2014 - 21:04

    Ik deel de opvatting van Thomas Fossen dat de reactie van de Jonge Akademie merkwaardig slap is. Het lijkt een instrumentele reactie. Het lijkt erop alsof de Jonge Akademie denkt dat de race voor de Wetenschapsvisie 2025 gelopen is en dat het beste dat nog kan gebeuren is het afschaven van de scherpe randjes. Ik denk dat de fundamentele vraag is wat onder wetenschap verstaan wordt. Ik vermoed dat onder wetenschappers verschillende opvattingen heersen. Ik zou daar best meer helderheid over willen hebben. Als wij als wetenschappers een aantal fundamentele uitgangspunten delen, dan wordt het wellicht gemakkelijker een eensgezind standpunt daarover naar buiten te brengen, zowel over de inhoud van de agenda en de manier waarop wij denken dat de wetenschap en de wetenschapsbeoefening het best gediend (in casu de reorganisatie van NWO) zijn. Buiten deze discussielijst zie ik in de pers (NRC en Volkskrant) een veel groter verschil van opvattingen met groepen hoogleraren die volmondig ja zeggen tegen het overheidsvoornemen en vinden dat het aan de belastingbetaler is om de agenda te bepalen tegenover groepen die het idee van de agenda en de voorgestelde reorganisatie van de wetenschapsgovernance afwijzen.
    Er is iets vreemds met de nadruk op toepassingsgericht onderzoek. Niemand betwist dat dit type onderzoek ook volgens de regelen der kunst gedaan moet worden en methodisch moet voldoen aan strenge eisen. Maar het is precies het type onderzoek dat door het HBO geclaimd wordt en dat centraal staat in de programmering van TNO. Moeten de universiteiten zich meer gaan ontwikkelen als HBO+ wat betreft onderzoek en onderwijs? In Duitsland bestaat het belangrijke onderscheid tussen de Max Planck Institüte voor fundamenteel onderzoek en de Fraunhofer Institüte voor toepassingsgericht (technologisch) onderzoek. Het is niet alleen een instrumenteel onderscheid, maar het zegt iets over de gedeelde opvattingen in Duitsland wat wetenschap moet zijn.
    Ik vind dat de Wetenschapsagenda van tafel moet. De overheid moet helder maken wat wetenschap betekent voor een klein, hoogontwikkeld landje als Nederland. En dat gaat de agenda vormen met alle verrassingen en serendipiteit die erbij horen. Ik moet er niet aan denken dat uit de publieksopvattingen gaat blijken dat we als handelsland het best de wetenschap aan de grote landen kunnen overlaten en dat we de resultaten ervan als handelswaar kunnen kopen. Maar laten we eerst vaststellen of wij als wetenschappers op ‘one page’ zitten.

    • Organisatie: University at Buffalo, The State University of New York
    • Functie: Associate Professor of Biomedical Informatics
  • Hans van Leeuwen 12 december 2014 - 15:48

    Dank voor alle uitgebreide en gedetailleerde uiteenzettingen. Ik ben het er volledig mee eens en ik denk dat bijna alle wetenschappers het hiermee eens zullen zijn.

    Het lukt ons echter blijkbaar niet om binnen te dringen in de breinen van onze beleidsmakers. Misschien moeten we daarvoor een andere strategie kiezen en eenvoudige, instructieve filmpjes maken zoals het winnende “Stand up for Science” filmpje. Zie link: https://www.youtube.com/watch?v=GmhD-RWNL6c

    Deze filmpjes kunnen ook tot begrip en ondersteuning voor basaal en primair door wetenschappelijke nieuwsgierigheid gedreven onderzoek bij de leek leiden.

    Blijkbaar hebben nu niet de politici en beleidsmakers Jip en Janneke taal nodig om de burger te bereiken maar hebben wij Jip en Janneke taal nodig om de politici en beleidsmakers te bereiken.

    Is hier een stimulerende en coördinerende rol voor de KNAW?

    • Organisatie: Erasmus MC
    • Functie: Hoogleraar/onderzoeker
  • Thomas Fossen 12 december 2014 - 15:20

    Het is nu belangrijk om duidelijk te maken dat de genoemde zorgen breed gedeeld worden. Daarin sluit ik mij aan bij de reactie van Daan Evers.

    In dat licht is de tamme reactie van de ‘Jonge Akademie’ opmerkelijk. Zij omarmt de wetenschapsvisie en plaatst hooguit hier en daar een kanttekening. Mijn indruk is dat die reactie zeker niet representatief is voor de heersende opvattingen onder jonge academici. Ik zou dan ook benieuwd zijn te horen of alle leden van de Akademie het ermee eens zijn dat de Wetenschapsvisie moet worden verwelkomt.

    Voor de reactie van de Jonge Akademie, zie:
    https://www.dejongeakademie.nl/nl/columns/wetenschapsbeleid/reactie-van-de-jonge-akademie-op-de-wetenschapsvisie-2025

    • Organisatie: Universiteit Leiden
    • Functie: postdoc / UD politieke filosofie
  • Daan Evers 12 december 2014 - 14:45

    Ik sluit mij aan bij de zorgen van veel onderzoekers in Nederland over de Nationale Wetenschapsagenda. Die zorgen zijn hier en elders wat mij betreft uitstekend verwoord, maar ik wilde mijn instemming kenbaar maken in de hoop dat massaal protest enig verschil maakt voor een regering die kennelijk sterk geïnteresseerd is in inspraak.

    • Organisatie: Rijksuniversiteit Groningen
    • Functie: Universitair docent wijsbegeerte
  • Bas de Bruin 12 december 2014 - 11:48

    De maatschappij (mee) laten bepalen wat wetenschappers op universiteiten moeten/kunnen/mogen onderzoeken is wat mij betreft een slecht plan. Daarmee draaien we het internationaal hoog aangeschreven fundamentele onderzoek in Nederland de nek om en bewijzen we de maatschappij bepaald geen dienst. Hoe zou dit moeten werken? Op basis van democratie? Het gros van de samenleving is met name geïnteresseerd in onderzoek dat pasklare antwoorden levert op praktische problemen: toegepast onderzoek en liefst direct een antwoord. Pleiten voor meer maatschappij-relevant onderzoek betekent dan in feite een pleidooi voor meer toegepast onderzoek, kort lopend onderzoek en minder ruimte voor onafhankelijk fundamenteel onderzoek.
    Fundamenteel onderzoek gaat niet over pasklare antwoorden. Het gaat juist over zaken die we nog niet weten. Sterker nog, het gaat vaak zelfs over zaken waarvan we nog niet eens weten dat we het nog niet weten; Vragen die nog niet gesteld zijn omdat we nog niet weten dat we ze kunnen stellen. Fundamenteel onderzoek is tegelijk enorm belangrijk voor de maatschappij!
    Fundamenteel onderzoek is allereerst belangrijk omdat onderzoek en onderwijs hand in hand gaan. Fundamenteel onderzoek is bij uitstek geschikt om de toekomstige generatie wetenschappers en vergelijkbare hooggekwalificeerde werknemers op te leiden. Studenten leren pas echt waar het om draait in probleemoplossend denken wanneer ze zelf actief meedraaien in een (deels) fundamenteel onderzoeksproject. Onderzoek waarbij we met z’n allen op onze tenen moeten lopen, in directe concurrentie met de wereldtop. Studenten leren daarbij geen pasklare apentrucjes, maar leren juist onafhankelijk en ongeconditioneerd denken, omgaan met het onbekende, afwijken van de gebaande paden. Alleen op die manier kunnen we onze studenten de opleiding bieden die ze verdienen. Alleen dan krijgen ze de juiste basis mee om de problemen op te lossen waar we als samenleving mee te kampen hebben en krijgen. Oplossingen die zowel een duurzame als economisch gunstige toekomst garanderen. We kunnen niet verwachten dat we die oplossing morgen al gevonden hebben. De nieuwe generatie van onze maatschappij zal dus ook goed opgeleid moeten worden. Dat betekent dat we onze studenten de juiste competenties moeten bijbrengen om de (nog onbekende) problemen van de toekomst aan te kunnen pakken. Meedraaien in een fundamenteel onderzoeksproject, op wereldtop niveau, is daarvoor het meest geschikt. In een toepassingsgericht onderzoeksproject met een korte termijnvisie leert een student naar mijn mening onvoldoende omgaan met het onbekende.
    Naast een onderwijscomponent heeft (fundamenteel) onderzoek ook een belangrijke functie in het stimuleren van innovatie en nieuwe bedrijvigheid in de maatschappij (valorisatie). Dit argument lijkt de huidige discussies inzake onderzoekfinanciering volledig te domineren. De vraag daarbij is echter of toepassingsgericht onderzoek of juist fundamenteel onderzoek uiteindelijk meer opbrengt. In tegenstelling tot wat de huidige dominerende politieke visie lijkt te zijn ben ik er niet van overtuigd dat de meeste innovaties voortkomen uit toepassingsgericht onderzoek. Toepassingsgericht onderzoek heeft een beperkt blikveld, is meestal gericht op de korte termijn waarbij beperkt ruimte is voor lacunes in kennis of toevallige ontdekkingen. Veel innovaties zijn in het verleden juist voortgekomen uit serendipiteit: Toevallige ontdekkingen die achteraf zeer nuttig bleken. Het zou daarom erg jammer zijn als de universiteiten volledig verworden tot een appendix van het bedrijfsleven, waarbij weinig ruimte overblijft voor vrij academisch onderzoek met een lange termijnvisie, gedreven door nieuwsgierigheid en creativiteit; Een voedingsbron voor serendipiteit. Volgens mij kunnen we daar de meeste innovaties van verwachten.
    Natuurlijk moet er naast fundamenteel onderzoek ook ruimte zijn voor toepassingsgericht onderzoek. Maar dit type (programma gedirigeerd) onderzoek heeft nu al de overhand, en heeft het autonome fundamentele onderzoek op de universiteiten al voor een belangrijk deel verdrongen. Waarom zouden we de huidige onbalans tussen toepassingsgericht (maatschappij-relevant) en fundamenteel onderzoek nog verder willen verstoren in de richting van toepassingsgericht onderzoek? Daarmee snijden we onszelf (= de maatschappij) in vingers.
    Kortom, de maatschappij een stem geven in het bepalen van de wetenschapsagenda van universiteiten is een slecht idee. Zelfs al zou de maatschappij niet (puur) kiezen voor kortlopend toepassingsgericht onderzoek, dan zou dit nog steeds niet werken. Omdat het bij fundamenteel onderzoek gaat om zaken die we nog niet weten, toevallige ontdekkingen en vragen die nu nog niet gesteld kunnen worden is in feite niemand direct in staat de wetenschapsagenda van universitaire onderzoeksgroepen te dirigeren. De resultaten van het lopende onderzoek sturen die agenda (zeker in natuurwetenschappelijk onderzoek!) en dat is ook hoe het zou moeten gaan.

    • Organisatie: Universiteit van Amsterdam
    • Functie: Hoogleraar Katalyse
  • Frank Staal 10 december 2014 - 12:27

    Er is hier al veel gezegd over de voor wetenschap en vooral jonge onderzoekers rampzalige plannen in de wetenschapsvisie 2025. Daarom heb ik ook brieven aan een aantal politici gestuurd (zonder daar overigens hele hoge verwachtingen van te hebben). Een stukje hieruit:

    Ik maak me grote zorgen over de wetenschapsfinanciering in ons land, en met mij zo’n beetje al mijn collegae. Door forse bezuinigen op de onderzoeksbudgetten bij NWO, ZonMW, het geheel wegvallen van aardgasbaten voor onderzoek, en de lage budgetten bij collectebus fondsen, daalt het aantal onderzoekers aan de UMCs, KNAW instituten en elders duidelijk. Ik zie dat ook in mijn eigen groep, tot voor kort had ik 16 hoogopgeleide medewerkers (postdocs, promovendi en HBO-opgeleide analisten), maar nu nog slechts 12 en het einde is niet in zicht. De kans om in de open competitie bij ZonMW/NWO een TOP subsidie te behalen is 4%. Ik heb er ook nog een lopen, maar besef dat de geluksfactor om die te krijgen groot is, te groot.En eigenlijk is TOP een foutieve naam, het gaat om 675.000 euro voor 4 jaar onderzoek, een schijntje vergeleken met de subsidies van Franse, Britse of Duitse overheid die een factor 10 hoger liggen. En ik review meerdere keren per jaar voor grote buitenlandse subsidiegevers.

    Nederland heeft zich gecommitteerd aan het verdrag van Lissabon, om 2.5% van het bnp uit te geven aan onderzoek. De overheid geeft minder dan 1% en het bedrijfsleven zo’n 0.7%, waarbij je je kan afvragen waar het bedrijfsleven investeert, in Nederlands onderzoek? De ondertekening van dit verdrag door de Nederlandse overheid is nu een farce. In wetenschappelijk onderzoek en innovatie ligt onze toekomst, maar die dreigen wij nu weg te gooien.

    Ik heb een aanstelling aan het LUMC, maar ook een nul aanstelling aan Erasmus MC en TU Delft en geef daar ook college’s. Ik zie Nederlands toptalent dat zich afkeert van onderzoek omdat het geen carrière perspectief biedt. Een aantal hele goeden blijft over, maar die vertrekken naar het buitenland. Ik zelf ben gepromoveerd aan Stanford University, maar heb gekozen voor onderzoek doen in Nederland. Ik heb gewerkt in Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Leiden; overal heb ik jonge top onderzoekers zien vertrekken eerst vooral naar de VS, later Singapore en nu vaak Duitsland of Engeland. Van de 32 Duitse Max Plank Instituten, hebben er 11 een Nederlandse directeur, dus ook senior talent vertrekt uit Nederland.

    Maar vooral: wat vertel ik studenten biomedische wetenschappen die worden opgeleid tot onderzoeker? Moeten/kunnen zij nog onderzoek gaan doen? Of zoals vorige week toen ik zes jonge meiden van klas 5 van het St. Ignatiusgymnasium uit Amsterdam op bezoek kreeg om hen te vertellen overs stamcelonderzoek. Alle zes enthousiast over onderzoek, maar moet ik ze dat aanraden, of kunnen ze beter advocaat worden? Of bankier?

    Duitsland investeerde 4 jaar gelden 1 miljard euro in biomedisch “Excellenzforschung”, wij bezuinigen en niet zo’n klein beetje ook.
    De notitie van het kabinet “2025 wetenschapsvisie” is een ramp, en een eufemisme voor verkapte bezuinigen. Louter kiezen voor toepassing is onmogelijk, zelfs als we alle nieuwe vindingen uit het buitenland wilt importeren.

    Onderwijs en wetenschap worden (te) duur gevonden, maar niet investeren hierin is op termijn nog veel kostbaarder. Alle know-how uit het buitenland halen, dat is pas duur! Er gaat nu een hele generatie jonge onderzoekers verloren, daar moet wat aangedaan worden en alleen de politiek kan dat. De voorgestelde structuur maakt bovendien NWO nog bureaucratischer zodat er een nog kleiner percentage van het onderzoeksgeld aan daadwerkelijk onderzoek wordt besteed.

    • Organisatie: LUMC
    • Functie: hoogleraar/onderzoeker
  • Christine Mummery 10 december 2014 - 10:39

    In de wetenschapsvisie 2025 gaat de bezem door NWO. De blauwdruk voor NWO wordt een topzwaar bestuur dat zeggenschap krijgt over wat wij onderzoeken en hoe het budget uitgezet wordt. In die taak worden ze geholpen door een raad van advies die bestaat uit stakeholders. Daartoe worden, behalve wetenschappers, ook maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en ministeries gerekend.
    De nieuwe NWO bazen zullen vast mensen zijn met een zeer goede staat van dienst elders. Maar de kans dat ze ooit “met hun voeten in de modder” hebben gestaan in het laboratorium is gering. En wie zijn de “maatschappelijk organisaties” die ze gaan adviseren? Dat zijn wij en onze buren. Alsof de plaatselijk voetbalvereniging Ajax gaat adviseren hoe ze tegen Feijenoord moeten spelen.
    In de VS heb ik in verschillende commissies gezeten om de beste en meest kansrijke onderzoeksvoorstellen uit te zoeken. Soms uit meer dan honderd indieningen. Veel onderzoeksvoorstellen zijn goed maar net niet goed genoeg om het verschil te maken in het oplossen van een wetenschappelijk (of gezondheids) probleem. Meestal lukt het om de allerbeste eruit te vissen, maar wat gebeurt er in commissies met een sterke patiëntvertegenwoordiging? Ze mogen hun mening uiten en komen natuurlijk op voor hun achterban. Soms na drie dagen intensief overleggen met elkaar worden de zorgvuldig gemaakte keuzen van de wetenschappers opzij gezet door emotionele betogen van mensen van de Parkinson-vereniging, of HIV-patiënten of een hartstichting. Wat hebben de worm-, vis- en vlieg-onderzoekers het zwaar gehad in die commissies! Maar je kunt de burger niet kwalijk nemen dat hij het nut niet begrijpt van dit soort onderzoek op het moment dat het voorgesteld wordt: ze hebben daar vaak niet voor gestudeerd en pas achteraf is duidelijk waar welke doorbraak naartoe leidt. Patiënten en hun families hebben altijd haast: voor hen is het leven te kort om te wachten.
    Weinig wetenschappers in Nederland zullen waarschijnlijk betwisten dat in de werkwijze van NWO aanpassingen nodig zijn. Tegen de achtergrond van economische en maatschappelijke uitdagingen moet vooral meer aandacht worden besteed aan interdisciplinariteit en aan programmatische samenwerking tussen NWO-gebieden. Dat was te gering. Maar door juist nu een gebrek aan visie aan de dag te leggen en geen bereidheid te tonen om “in de buidel te tasten” voor werk van de volgende generatie toponderzoekers, zal de sterke positie van Nederland snel verloren gaan. In feite zit het nu al in de uitverkoop.

    • Organisatie: Leiden University Medical Centre
    • Functie: Afdelingshoofd
  • Marc Timmers 9 december 2014 - 13:50

    Steven McKnight is de huidige president van de ASBMB (American Society for Biochemistry and Molecular Biology) Hij heeft zijn zeer belangrijke bijdragen geleverd aan zowel de academische wetenschap als de biotechnologische sector. Zijn inzichten en kennis zijn daarom zeer relevant voor de Wetenschapsvisie 2025, welke de brug tussen privaat en publiek wil versterken. Ik raad een ieder aan zijn columns te volgen. Met name de laatste ‘Wow’ (http://www.asbmb.org/asbmbtoday/201411/PresidentsMessage/) is zeer inzichtelijk.

    • Organisatie: UMU Utrecht
    • Functie: Hoogleraar
  • Eric van Damme 5 december 2014 - 12:20

    This reaction is part of a larger article on the Wetenschapsvisie 2025, entitled The Dutch Wetenschapsvisie 2025: ill-informed, narrow minded and misconceived (pdf)

    This reaction on the Wetenschapsvisie 2025 is written in English to allow easy communication with the researchers in the Netherlands that are not fluent in Dutch.

    […]

    The Wetenschapsvisie 2025 aims to steer Dutch scientific research in a certain direction, essentially, with a more national focus and it being more demand-driven (rather than curiosity driven), with the demand coming from business and society at large. Now, of course, it is fine for the government to stimulate thinking and creativity, but steering in a certain direction is an altogether different matter.

    The Wetenschapsvisie 2025 acknowledges that science is a search for the unknown (p. 9) and, hence, is unpredictable and that it is international developments that are determining the direction (p. 54). The more dynamic and the more international the environment, the more risky national steering becomes, especially for a small country like ours, hence, the less it should be attempted. In a situation like this, the government should have concluded that it should have limited itself to getting the framework conditions right, to contribute ideas, and to leave the rest to bottom–up initiatives and competition.

    The ‘Vision’ stresses the need for flexibility, but at the same time it proposes rigid structures. The inconsistency is clear. It is a tunnel vision that has prevented the drafters to see it. On p. 9 they write that to allow Dutch science to flourish and to compete internationally, choices have to be made. I think this is misconceived: choices arise and they arise through a process of competition. The writers acknowledge that there is intense competition in research, but apparently they don’t understand how it works, or they are not willing to accept it.

    […]

    The most important proposal in the Wetenschapsvisie 2025 is to come to a national research agenda, which will contain a list of priorities for scientists working in the Netherlands. There are two questions:

    – Why do we need such an agenda?
    – How will we get to it?

    The document discusses both, but does not give convincing answers.

    The first argument that is given is that some other countries also have it. This is clearly a non argument. One can as well state that some other countries spend a (much) larger percentage of GDP on science, hence, that the Netherlands should do that as well. It is worth noting that the world leaders in research do not have a national agenda, and that the countries that do have it have not evaluated whether having it is a good thing.

    Other arguments that are given in the Wetenschapsvisie 2025 are that the agenda can be used to profile Dutch science, and that it can simplify cooperation between scientists, and between academic institutions and social partners.

    As indicated above, I believe there are much better ways to make quality visible. The agenda is also not needed to get cooperation between scientists. The ‘Vision’ praises the cooperative attitude of Dutch researchers (p. 6). The largest drawback of national programming is that it reduces flexibility and prevents quick adjustment to changing circumstances, which, as the Wetenschapsvisie 2025 argues, is essential (p. 19) and is an asset of the current Dutch system (p. 6).

    A key question in all this is whether there are certain areas of science in which the Netherlands has as durable and, hence, strategic advance. If so, which areas are these? Clearly, this condition might hold for areas intimately connected to Dutch culture, or Dutch history, but even without an agenda it is clear that if one wants to study aspects that are specific to the Dutch society, one should first look here. Are there other areas or topics for which the Dutch have a strategic advantage? My reading of the evidence is that peaks arise around individuals and that the landscape is dynamic and relatively unpredictable, as a result of positions being contestable. In situations like these, there is little that a national agenda can add, and much that it can prevent. In fact, the ‘Vision’ shares my reading of the evidence (p. 18), but it draws a diametrically opposite conclusion.

    Another role that the Wetenschapsvisie 2025 sees for the national science agenda is to contribute to a more competitive economy and a more innovative business sector. That, possibly, could be the case. However, the desirability of such a narrower agenda (and of devoting a limited amount of research funds to it) should be discussed under ‘Industrial Policy’ and not under ‘Science Policy’. As rightly noted by a committee of the KNAW (http://www.knaw.nl/nl/actueel/publicaties/publieke-kennisinvesteringen-en-de-waarde-van-wetenschap), there are various roles that science plays, and the support of local business is only one of these. It may be fine for the government to support the R&D of business, but the main task of science is a different one. Policy making should be transparent and ‘Industrial Policy’ should not be mixed up with ‘Science Policy’. It is fine for the minister of Economic Affairs to be a co-author of a document of the first type, but he has nothing to do with the second.

    […]

    The Wetenschapsvisie 2025 proposes that interested parties will not only play a part as co-creators, but that they will also influence the development of science through the national research agenda. The idea is that the demand side will articulate what it wants and steer the agenda in this way. According to the ‘Vision’, this will lead science to focus on the most important societal questions (p. 46) and to improvement in our competitive position (pp. 48, 50). Of course, the ‘top sector policy’ will be continued as this has brought a new dynamic to the Dutch economy (p. 51). The latter is stated bluntly, but, of course, no evidence whatsoever is provided, not even a reference to a serious evaluation of this policy.

    Given that the writers themselves state that they have no information about how our science system is functioning (p. 57), it seems to me that they must have been day-dreaming when writing these passages. It is correct, as they write on p. 48, that we should think about the ecosystem as a whole, and it may definitely be useful to get to better knowledge utilization. However, if it is a system, then one should not look at one element of it in isolation; one should not point to the supply side alone. In my personal interaction with various government ministries and other agencies, I have noticed that at least this part of the demand–side finds it very difficult (or even impossible) to articulate its demand (p. 54), and that the absorptive capacity of some of these organizations has become much smaller in the last 25 years. I also note that many firms have outsourced research and have, thereby, also reduced their absorptive capacity. If anything, the gap between the supply and demand for research has increased, and it should at least be addressed how a better knowledge utilization should be achieved: by forcing science to lower itself, or by asking government agencies to rise above their current level.

    […]

    See also: Eric van Damme (4 December 2014), The Dutch Wetenschapsvisie 2025: ill-informed, narrow minded and misconceived (pdf)

    • Organisatie: CentER, TILEC and Department of Economics, Tilburg University
    • Functie: Professor of Microeconomics
  • Herman Overkleeft 3 december 2014 - 08:58

    In aanvulling op het stuk van Piet Borst: het kan geen kwaad eens te analyseren wat voor projecten het oplevert: inbreng van de maatschappij in wetenschappelijk onderzoek. Achter onderstaande link

    http://www.nwo.nl/actueel/nieuws/2012/Shell+en+NWO+lanceren+een+nieuw+initiatief+in+'Computational+sciences+in+energy+research‘.html

    gaat een ronkend persbericht schuil die een 41 miljoen Euro kostende samenwerking tussen NWO (FOM) en Shell aankondigt. Waarvan 21 miljoen opgebracht door NWO/FOM en 20 miljoen door Shell. Voor Shell – ook met de dalende olieprijs – is dat ongeveer de dagelijkse netto winst. Voor NWO het jaarbudget van één van haar (af te schaffen) gebieden.

    Waar gaat het project over: computational sciences in energy research. Core business voor Shell zou je zeggen, dat ze zelf ook wel zouden financieren. Wellicht niet in Nederland, want als de overheid niet matcht zou Shell wel eens uit Nederland kunnen vertrekken.

    Voor Shell is de investering ongetwijfeld nuttig. Voor de helft van het geld een volledig research project uitgevoerd. Voor Nederland is de winst minder duidelijk, want, zoals in het persbericht staat zijn ‘De 75 promotieplaatsen … voor afgestudeerden die interesse hebben om een carrière op te bouwen in het Shell Technology Centre in Bangalore’.

    Is dit de bedoeling van de nationale wetenschapsagenda?

    • Organisatie: Universiteit Leiden
    • Functie: h.s.overkleeft@chem.leidenuniv.nl
  • Eric Cator 2 december 2014 - 16:05

    Goed om te zien dat eigenlijk alle reacties geen spaan heel laten van het Wetenschapsagenda-idee. Het is alleen wel jammer dat we hier preken voor eigen parochie. Het lijkt erop dat hoewel vrijwel de gehele wetenschappelijke wereld tegen deze Visie is, wij toch niet in staat zullen zijn om het tegen te houden. Ik zou daarom willen voorstellen om ons wat recalcitranter op te stellen, en te zorgen dat het kabinet niet om ons heen kan. Een eerste voorstel hiertoe is om voortaan alle medewerking aan het nieuwe centralistische NWO te weigeren, totdat er geluisterd wordt. Ik begrijp dat dit tegen onze wetenschappelijke cultuur ingaat, dat het toch meer van reflectie en coöperatie moet hebben, maar nood breekt wetten.

    • Organisatie: Radboud Universiteit
    • Functie: Hoogleraar
  • Piet Borst 2 december 2014 - 11:50

    De negatieve effecten op het academische onderzoek van de afgedwongen samenwerking met het bedrijfsleven heb ik in columns enige malen besproken (Innovatiewanbeleid, 21/4/2012; Vermarktbaarheidsdrama,26/5/2012; Wankelende wetenschap, 3/11/2012; Loze praat over innovatie, 29/3/2014). Ik zal dat hier niet herhalen. Het is verbazingwekkend dat de Visie geen enkele poging doet om de gevolgen van dit beleid, dat uniek is voor Nederland, kritisch te analyseren. Integendeel, de ingeslagen koers wordt met kracht voortgezet. De achterliggende filosofie wordt op p.39 onverbloemd neergeschreven: “Maar kennis krijgt pas maatschappelijke waarde als deze gedeeld wordt en toegepast in concrete oplossingen of producten”. Dat is andere koek dan de visie van het Japanse pendant van het Innovatie Platform. Dat ziet als primaire taak voor de wetenschap: “accumulation of wisdom”.

    Op p.39 wordt dan duidelijk wat het uitgangspunt is voor de Wetenschapsvisie 2025: “Het idee dat kenniscirculatie en valorisatie pas aan de orde zouden zijn als de kennis uitontwikkeld is, is achterhaald. Wij vinden dat juist in het begin van de keten een bewustzijn nodig is van de behoefte aan kennis en van de mogelijke kennisgebruikers. Volgens de principes van kenniscocreatie ontwikkelen wetenschappers samen met maatschappelijke partijen nieuwe kennis die aansluit bij de praktijk. Daarbij maken de wetenschappers gebruik van de unieke kennis en vaardigheden van de eindgebruikers”.
    Kortom: alle wetenschap is TOEGEPASTE wetenschap.

    Wij plachten nieuwkomers in de politiek voor te houden (met Max Planck) dat inzicht komt voor toepassing. Wij haalden dan altijd het voorbeeld van de Polio uit de kast. Indertijd wilden het bedrijfsleven en maatschappij investeringen in betere rolstoelen. NIH was zo verstandig om het meeste geld te stoppen in fundamenteel onderzoek naar celkweek en virusmultiplicatie. Uit dat fundamentele onderzoek is na decenniën sappelen in het lab uiteindelijk het poliovaccin voortgekomen dat de polio heeft uitgeroeid.

    Storend is ook dat de bijdragen van het bedrijfsleven aan onderzoek in de topsectoren uiterst rooskleurig worden voorgesteld op p.49: “Door publieke middelen voor kennis en innovatie via vraagsturing in te zetten op de economische en maatschappelijke uitdagingen, zijn bedrijven bereid om substantieel te investeren in de kenniseconomie. Daardoor komen meer middelen voor onderzoek beschikbaar. Voor de periode 2014-2015 zetten bedrijven €2 miljard hierop in via topsectoren. De Nationale Wetenschapsagenda zal dit verder versterken door gezamenlijk te programmeren op de maatschappelijke uitdagingen en economische kansen. De vragen vanuit bedrijven vormen inspiratie voor de wetenschap. De samenwerking creëert een kweekvijver voor onderzoekers die later in het bedrijfsleven werkzaam willen zijn en omgekeerd”.

    Iedere insider weet dat dit niet klopt: de bijdragen van het bedrijfsleven aan de topsectoren bestaan voornamelijk uit papieren toezeggingen, heretikettering van bestaand onderzoek en belastingaftrek besteed aan R&D, vnl. D. Wie een substantiële bijdrage zoekt van het bedrijfsleven aan serieus academisch onderzoek, zal lang moeten zoeken. Wat wel is gebeurd, is dat een substantiële hoeveelheid geld van academische instellingen en NWO is ingezet voor meer toegepast onderzoek.

    In de toekomst wordt het er niet beter op: “Financiering via NWO wordt mede afhankelijk gesteld van investeringen door deelnemende partijen (matching en cofinanciering). Voorstellen worden beter beoordeeld als er wordt samengewerkt met bedrijven en instituten voor toegepast en praktijkgericht onderzoek, bijvoorbeeld in regionale samenwerkingsverbanden (zie ook paragraaf 2.7)”. “Om individuele wetenschappers aan te moedigen in hun inspanningen op het vlak van valorisatie zal NWO valorisatie in de toekomst sterker meewegen bij het beoordelen van onderzoeksvoorstellen. Door hierbij niet alleen plannen maar ook gerealiseerde valorisatie (in brede maatschappelijke zin) mee te wegen, worden de prestaties van onderzoekers op dit terrein sterker gewaardeerd (zie ook hoofdstuk 3).” Kortom, nog meer sturing van wetenschappelijk onderzoek vanuit het bedrijfsleven en op valorisatiemogelijkheden.
    Het merkwaardige is dat de Visie geheel voorbij gaat aan de nieuwe inzichten over de relatieve rol van publiek en privaat geld in kennis vergaring en innovatie. Voetnoot 34 noemt het uitstekende boek van M. Mazzucato, “The entrepreneurial state. Debunking Public vs. Private Sector Myths” (2013). Helaas is de inhoud van dat boek niet in de visie terug te vinden. Met een groot aantal voorbeelden laat Mazzucato zien dat grensverleggende vernieuwingen voortkomen uit onderzoek dat met publieke middelen wordt gefinancierd. Anno 2014 hebben bedrijven daar het geld en de mensen niet meer voor. R&D in bedrijven is gericht op marginale verbeteringen, niet op radicale vernieuwingen, die immers bedreigend zijn voor het vigerende bedrijfsmodel. Dat zulke bedrijven de richting voor academisch onderzoek mede aan zouden moeten geven, zoals ons kabinet beoogt, is daarom innovatiebelemmerend volgens Mazzucato.
    De grote greep van het Nederlandse bedrijfsleven op het academische onderzoek krijgt in de Visie een extra accent in een machtige NWO zuil “Cluster wetenschap voor bedrijfsinnovatie”. Met Mazzucato denk ik dat het kabinet daarmee versneld de verkeerde weg afloopt. Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald.

    De Visie wil een inbreng van “de maatschappij” in de wetenschap, die onrealistisch is en die populistisch aan doet. Grote maatschappelijke uitdagingen zijn de laatste tijd populair als thema voor wetenschappelijk onderzoek. De Duitsers en de Denen doen het, dus wij ook. Daar is niets tegen. Zoals Mazzucato ook laat zien, zijn er klemmende maatschappelijke problemen die lastig zijn op te lossen en die publiek geld vereisen voor een goede aanpak, omdat het risico voor het bedrijfsleven te hoog is. Er is niets tegen, zolang de gebieden maar ruim omschreven worden. De Visie citeert trots de Denen, die “a society with health and quality of life”, als één van hun thema’s hebben gekozen. Daar valt het hele biomedische onderzoek onder. Geen probleem.
    Problematisch wordt de visie als gesuggereerd wordt dat de gemiddelde burger in staat is om onderzoeksprioriteiten mede te sturen. Dat kan niet, behalve bij heel sterk toegepast en praktijkgericht onderzoek. Fundamenteel onderzoek en ook veel translationeel onderzoek is gespecialiseerd vakwerk. Wat kan, wat kansrijk is, en hoe dat moet worden aangepakt zijn zaken die alleen vakmensen kunnen beoordelen. Uiteraard zijn transparantie en communicatie belangrijk, evenals debatten over risico’s, ethische kwesties en maatschappelijke impact. Maar de suggestie dat toekomstige gebruikers de proeven in het NKI-AVL mede moeten gaan bepalen, is echt onzin: “Juist door in een vroeg stadium de uiteindelijke gebruikers van toekomstige innovaties te betrekken, kunnen wetenschappers hun onderzoeksprojecten afstemmen op de behoeften en eventuele zorgen van burgers en stakeholders. Contact met gebruikers dwingt onderzoekers te reflecteren op de kansen en de risico’s van de producten die uit hun onderzoek kunnen voortvloeien”.
    Dat geldt wellicht voor heel simpele vormen van toegepast onderzoek, -stadsinrichting b.v.-, maar niet voor het gros van het academisch onderzoek. Een machtig cluster binnen NWO ”Wetenschap voor maatschappelijke vraagstukken”, lijkt mij ondoordacht populisme.

    Meer sturing i.p.v. meer geld. De hele Visie is doortrokken van het Haagse optimisme dat door meer sturing, regie en coördinatie, de opbrengst van wetenschappelijk onderzoek groter gaat worden. Door heel slim te sturen, liefst vanuit Den Haag, kunnen we met ons armoedje nog best scoren. De termen bestuurlijke drukte, vergadercultuur, actetassen-onderzoek, die op de werkvloer dagelijks de ronde doen, zijn in de Visie niet te vinden. Ik ken geen goede onderzoeker, die vindt dat er meer gestuurd moet worden. Onderzoek heeft bescheiden bestuurders nodig, liefst mensen die zelf actief zijn in het onderzoek en die weten hoe ontdekkingen worden gedaan: niet door sturing en regie, niet door neuzen die dezelfde kant op staan, maar door creatieve onderzoekers in een stimulerende omgeving, ongehinderd door regie.

    De opstellers van de Visie claimen met jonge onderzoekers te hebben gesproken. Mogelijk. Goed geluisterd hebben ze niet. Dan zou de Visie iets laten zien van de grimmige werkelijkheid, waarin kansrijke projecten door geldgebrek in de prullenmand belanden, onderzoekers hun dagen slijten met het recyclen van subsidieaanvragen, en in het buitenland solliciteren. Dan zou de Visie meer nuchterheid, zelfkritiek en wetenschappelijke analyses bevatten i.p.v. al die hysterische bombarie over “trots”, “ambitie”, “wereldformaat”. Zonder geld blijven al die “ambities” loze praat van politici zonder realiteitszin of visie.

    • Organisatie: Nederlands Kanker Instituut / AVL Ziekenhuis
    • Functie: Onderzoeker
    • Jaap 2 december 2014 - 12:52

      Hulde aan Piet Borst voor zijn drie uitgebreide bijdragen op dit forum waarin hij een naar mijn mening in de Nederlandse onderzoekswereld breed gedragen opinie zeer scherp verwoord!

      • Organisatie: NIOZ/UU
      • Functie: afdelingshoofd/hoogleraar
  • prof.dr. Marc Timmers 1 december 2014 - 16:13

    Politici en het topmanagement van universitaire ziekenhuizen zijn slecht in het leren van de lessen uit het verleden, en dat geldt ook voor leren van de successen in de wetenschap en de maatschappelijke toepassingen hiervan. Buiten het al genoemde Zweedse fiasco geeft een simpele analyse van de stormachtige ontwikkeling van biotech rond de campus van MIT, Cambridge, USA een vernietigend vergelijk met de Nederlandse Wetenschapsvisie 2025 opgesteld door het huidige kabinet. Deze toonaangevende Biotech research instellingen hebben zich niet rond MIT gevestigd en miljarden dollars geïnvesteerd vanwege een visie document van de staat van Massachusetts of van de centrale overheid. Deze instellingen kwamen af op de briljante MIT onderzoekers, die nieuwsgierig zijn naar het functioneren van moleculen, cellen en organismen. Nieuwsgierigheid is de belangrijkste drijfveer voor een wetenschapper voor origineel en vernieuwend onderzoek. Elke visie, die geen recht doet aan de drijfveer aan de doelgroep, is gedoemd te mislukken. Het is aardig om de demografische ontwikkelingen van Nederlandse wetenschappers in de gaten te houden. In dit licht is het niet verbazingwekkend, dat Robbert Dijkgraaf ingevlogen moet worden om wetenschap te populieren voor de Nederlandse publiek. Wetenschappers stemmen met hun voeten, zowel bij MIT als in NL.

    • Organisatie: UMC Utrecht
    • Functie: gewoon hoogleraar
  • Jos Aarts 30 november 2014 - 23:27

    In de veelheid van argumenten tegen de Wetenschapsvisie 2025 doet zich natuurlijk de vraag voor wat nu de kern is. Ik denk dat de kern is het geloof in de maakbaarheid van kennisontwikkeling. Dat heeft een aantal consequenties. Op de eerste plaats de sturing gewenst is, waarbij niet vertrouwd kan worden op het individu. Geloof wordt gehecht aan de overheid en maatschappelijke organisaties om voor die sturing te zorgen. Het past ook binnen het idee dat universiteiten ‘managerial entities’ zijn. Vervolgens moeten structuren daarop aangepast worden. Dit verklaart dat met name NWO op de schop moet. De idee van de maakbaarheid leidt tot de opvatting dat het wetenschapsbedrijf vooral een economisch nut moet hebben, want maakbaarheid veronderstelt voorspelbaarheid, ook in termen van de te verwachten opbrengsten. Dat is dan de valorisatie paragraaf die centraal in onderzoeksvoorstellen moet komen te staan. Laten we ons niet wijsmaken dat valorisatie ook in termen van culturele en intellectuele ontwikkeling kan worden verstaan. Het sluit ook aan bij de discussie of universitair onderwijs gericht hoort te zijn op het ontwikkelen van kritisch denken (‘critical thinking’) van (jonge) mensen of hen moet klaarstomen om een economische productieve rol vin Nederland te spelen. Ik hoor steeds de klachten van het bedrijfsleven dat studenten verkeerde studierichtingen kiezen of verkeerde vakken in hun opleiding. In Amerika woedt een soortgelijke discussie. In het boek ‘Making Silicon Valley’ laat Christophe Lécuyer zien hoe de ontwikkeling van een ‘high technology industry’ het gevolg van het dicht bij elkaar zitten van een partijen van wie de karakteristieken goed op elkaar aansloten en die op een cruciaal moment werden geholpen door de federale overheid (met name DARPA, de Defense Advanced Research Projects Agency). Van overheidssturing was geen sprake. Dus mijn aanbeveling is om het maakbaarheidsgeloof ter discussie te stellen.

    • Organisatie: University at Buffalo, The State University of New York
    • Functie: Associate Professor of Biomedical Informatics
  • Frits Vaandrager 30 november 2014 - 15:35

    Het idee om een Nationale Wetenschapsagenda te gaan opstellen komt van de zgn kenniscoalitie bestaande uit VNO-NCW, NWO, KNAW, de Vereniging Hogescholen, MKB-Nederland, de VSNU, TNO en TO2. Deze organisaties hebben in juni 2014 in een “manifest” de regering expliciet gevraagd om de ontwikkeling van een Nationale Wetenschapsagenda. In de nota Wetenschapsvisie 2025 verwijzen Bussemaker en Dekker ook expliciet naar dit manifest.

    Nu bepleit de kenniscoalitie in haar manifest nog twee andere zaken, nl
    (a) houd de brede hoogvlakte van het Nederlandse onderzoeksysteem in stand, en (b) investeer in onderzoek. Advies (b) wordt door Bussemaker en Dekker niet opgevolgd en advies (a) wordt weliswaar met de mond beleden maar – bij gelijkblijvend budget – is het alleen mogelijk om te investeren in een nieuwe wetenschapsagenda wanneer er minder geld gaat naar onderwerpen die buiten die agenda vallen. Kortom, Bussemaker en Dekker hebben selectief gewinkeld in het manifest.

    Mij lijkt dat de drie adviezen uit het manifest onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: een wetenschapsagenda heeft zin wanneer je een goed strategisch plan nodig hebt voor nieuwe investeringen.

    Het zou de kenniscoalitie sieren wanneer ze minister en staatssecretaris zou laten weten dat een Nationale Onderzoeksagenda echt geen zin heeft zonder extra investeringen.

    Een paar jaar terug heeft de KNAW olv Robbert Dijkgraaf al een Nederlandse Onderzoeksagenda opgesteld met 49 onderzoeksvragen. Ik vond dat eigenlijk wel een leuk stuk, de genoemde vragen zijn voorzover ik weet nog niet opgelost. Laten we dat eerst doen voordat we een nieuwe agenda gaan opstellen!

    • Organisatie: Radboud Universiteit
    • Functie: hoogleraar
  • Willem J.M. Levelt 30 november 2014 - 15:01

    Zeven opmerkingen bij Wetenschapsvisie 2025
    1. Het is een hardnekkige misvatting dat wetenschap van bovenaf gestuurd kan worden, maar dat is wel de inzet van Wetenschapsvisie 2025. Valorisatie dient aan het begin te staan van de kennisketen, zo lezen wij. Het gaat om kennis- “cocreatie” samen met maatschappelijke partijen. Deze misvatting zal ernstige gevolgen hebben voor de Nederlandse wetenschapsbeoefening en haar maatschappelijke nut.
    2. Wie zijn die maatschappelijke partijen? In de eerste plaats het bedrijfsleven, dat dit document al hartelijk heeft toegejuicht. Het Nederlandse bedrijfsleven besteedt (met enkele voorbeeldige uitzonderingen), in vergelijking met andere ontwikkelde landen, weinig geld aan research. Met onze overheid is het niet veel beter gesteld. Met de Wetenschapsvisie 2025 zal het bedrijfsleven, na het topsectorenbeleid, opnieuw beslag gaan leggen op relatief schaarse overheidsmiddelen voor wetenschappelijk onderzoek. Dat betreft zowel middelen in de eerste geldstroom, met name promotiepremies, als in de tweede geldstroom. NWO wordt in zijn nieuwe, centralistische structuur van boven af aanzienlijke beperkingen opgelegd in de besteding van haar middelen. Het bedrijfsleven doet een greep uit de kas van OCW en met haar warme instemming.
    3. De nationale wetenschapsagenda gaat bepalen op welke onderzoeksthema’s wetenschappers zich moeten gaan richten. Onderzoekfondsen worden toegekend aan grote conglomeraten die door “stakeholders” worden bestuurd. Hoe, waar en bij wie die fondsen op de wetenschappelijke werkvloer terecht komen zal zich aan het oog onttrekken. De nu al schaarse middelen voor individueel ingediend vrij onderzoek, dat zoals het hoort onderhevig is aan internationale peer review, zal verder worden beperkt. Deze kernfunctie van NWO zal steeds verder worden uitgehold.
    4. Behoud van Nederlands beste talent en het aantrekken van buitenlandse expertise zal hieronder lijden. Zelfs in die vrije ruimte moet valorisatie aan het begin van de kennisketen gaan staan. NWO moet dit zwaarder laten wegen en bij voorkeur fondsen toekennen aan onderzoekers die al “gerealiseerde valorisatie” kunnen aantonen. Dit zal wetenschappers in de voorhoede afschrikken. Zij laten zich leiden door de intrinsieke dynamiek van hun onderzoeksobject, niet door wat “men” nuttig vindt.
    5. Het valorisatie-uitgangspunt zal een nieuwe type schending van wetenschappelijke integriteit in de hand werken: niet meer het verzinnen van data, maar het verzinnen van (vergezochte) valorisatie.
    6. De enige werkelijke valorisatie van wetenschapsbeoefening is de ontwikkeling en het doorgeven van kennis. De geschiedenis heeft ons enerzijds geleerd dat dit creatieve proces, waarbij serendipiteit een grote rol speelt, niet van buitenaf stuurbaar is. Zij heeft ons anderzijds geleerd dat vaker wel dan niet de bruikbaarheid van wetenschappelijke bevindingen onvoorspelbaar is. Niets blijkt op termijn zo toepasbaar te zijn als geverifieerde wetenschappelijke theorie. Daarop zijn onze techniek en onze welvaart gebouwd. Het is wetenschappelijk onderzoek geweest dat dodelijke aandoeningen onder controle heeft gebracht, dat vergaande innovatie in bedrijfsleven, techniek en onderwijs heeft voortgebracht. Dat vrije, fundamentele onderzoek is de hartslag van onze maatschappij.
    7. Wetenschapsvisie 2015 ademt diep wantrouwen tegen het wetenschappelijke onderzoek en zijn beoefenaars. In plaats van ruimte te scheppen voor divers, innovatief, van onderop gestuurd onderzoek, worden onze wetenschappers van bovenaf aangestuurd en ingeperkt. Onze liberale staatssecretaris koestert de reeds lang gelogenstrafte illusie van maakbaarheid en stuurbaarheid van de kennisontwikkeling. Ik zou het graag afdoen als “politieke waan van de dag” als het niet zo schadelijk was voor onze samenleving.

    • Organisatie: Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek
    • Functie: Directeur emeritus
    • Rob van Gestel 30 november 2014 - 22:15

      110% eens met Levelt!
      De KNAW moet misschien toch eens ietsje minder sjiek en koninklijk gaan opereren om deze boodschap over het voetlicht te brengen.

      Laat ex KNAW president Robbert Dijkgraaf bijv. eens een openbaar college over het oneindige bij DWDD afzeggen, omdat het einde van de vrije wetenschap in Nederland in zicht dreigt te komen. Misschien dat dat helpt om aandacht te genereren.

      Het is toch absurd dat de Zweedse tegenhanger van de KNAW naar Nederland wijst als een land dat zich met succes niet te eenzijdig op samenwerking met het bedrijfsleven in de wetenschap heeft gericht in het verleden, terwijl wij intussen keihard de Zweedse lessen op dit punt aan het negeren zijn.

      • Organisatie: Tilburg University
      • Functie: Hoogleraar
    • j.b.m vranken 30 november 2014 - 20:54

      Ik ben het hartgrondig met u eens. Wie deze trein wil stoppen, moet wel bij de universiteiten beginnen. De nota van het ministerie gaat voort op de totaal verkeerde weg die al lang door de universiteiten geplaveid is.

      • Organisatie: Universiteit Tilburg
      • Functie: em. hgl methodologie van het privaatrecht
    • Andrel Linnenbank 30 november 2014 - 15:57

      Ik ben het uiteraard hier volkomen mee eens. Alleen (zoals ook elders al aangehaald), de schrijvers van deze visie hebben zich ingedekt met “Op deze plaats onderstrepen we nog eens onze brede opvatting van het begrip valorisatie. Die omvat niet alleen economische benutting van kennis, maar ook het benutten van kennis voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken of het bijdragen aan maatschappelijke discussies.” Volkomen onzin natuurlijk, er wordt wel degelijk de enge financiele definitie bedoeld. Maar het geeft wel de gelegenheid om na het belangrijkste element ‘onderuit te hebben gehaald’ ook alle andere kritiek te negeren. Laten we er allen voor waken dat dat niet gebeurd.

      • Organisatie: ex-AMC/ex-ICIN
      • Functie: was onderzoeker in 'tijdelijke' dienst
  • Andrel Linnenbank 30 november 2014 - 08:57

    De voortdurende nadruk op extern gefinancierde projecten en op valorisatie heeft geleid tot een krimpen van de gemiddelde onderzoekshorizon tot minder dan 4 jaar. Het ideale project onder de huidige regels is er een dat: 1) in 4 jaar gedaan kan worden door een net afgestudeerde master zonder ervaring 2) gedaan kan worden met minimale begeleiding 3) voldoende weinig afwijkt van andere projecten zodat een publicatie zeker is en veel geciteerd zal worden 4) de opgedane ervaring irrelevant is voor een volgend project (omdat de promovendus na afloop zal vertrekken)

    Zoals in de visie wel wordt genoemd waren samenwerking en lange termijn visie de belangrijke dingen die ons als Nederlanders onderscheid van andere landen. Hoe we inzetten op korte termijn ‘successen’ gaan ontmoedigen daar vind ik niet veel van terug. Sterker ik zie vooral dingen die hype gestuurde projecten gaan bevorden.

    Ik ben wel erg blij dat deze keer de hogescholen niet vergeten zijn zoals in het AWT rapport. Samenwerking universiteiten en hogescholen is cruciaal voor innovatie.

    • Organisatie: ex-AMC/ex-ICIN
    • Functie: was onderzoeker in 'tijdelijke' dienst
  • Andrel Linnenbank 30 november 2014 - 08:46

    De Wetenschapsvisie en veel van de reacties hier zijn vooral gericht op de (top)onderzoeker. Er is nauwelijks aandacht voor dat ook de ondersteuning in tijdelijke banen wordt gedwongen, zodat ook daar de expertise aan het afnemen is.

    De afnemende 1e geldstroom van de laatste jaren leidt ook tot een scheve personeelsopbouw waarbij het middenkader verdwijnt. (Deze visie belooft (alweer) een kleine toename, maar die is zo klein dat ie makkelijk door het management kan worden geabsorbeerd). Als nl een ervaren onderzoeker of (technische) ondersteuning met pensioen gaat geeft dat vooral verlichting op de begroting. Daarmee vallen langzaam de onderzoeksgroepen uit elkaar en worden vervangen door monoculturen met een veel publicerende hoogleraar aan de top met daaronder een schare promovendi en een enkele post-doc. Waarbij het niveau van de promovendi daalt doordat er nauwelijks begeleiding is en ze veel te veel zelf moeten doen, ook de dingen waar ze zelf weat minder sterk in zijn. Kort door de bocht: uitsluitend selectie van de ‘beste projecten’ leidt tot afname van kwaliteit van de promovendi en nadruk op ‘valorisatie’ staat echte innovatie in de weg.

    • Organisatie: ex-AMC/ex-ICIN
    • Functie: was onderzoeker in 'tijdelijke' dienst
  • Adam Cohen 29 november 2014 - 11:24

    In de jaren 80 werkte in bij Wellcome in Londen. Daar liepen toen 4 Nobelprijswinnars rond (John Vane, Jim Black, Gertrude Ellion en George Hitchins) Als beginnende wetenschapper mocht je vrij bij ze binnenlopen. Wellcome genereerde in die tijd betekenisvolle geneesmiddelen als AZT, acyclovir en lamictal (wat ik als eerste aan een mens mocht geven). Dat alles in een niet over luxueuze maar perfect uitgeruste omgeving (ook met sport en bar natuurlijk) met een enorme ruimte voor creativiteit en innovatie. Toch ontstond er rond die tijd onrust bij het management. Er ging alsmaar geld naar de research en er kwam niet voorspelbaar wat uit. Er werd dus een stoere Amerikaanse research directeur aangsteld die bij zijn eerste presentatie voor de research staf naar voren liep en de volgende woorden sprak: ‘ I hope you will all stop pissing about in this place and start finding some useful drugs, or in three years none of you will be here anymore”. Vervolgens liep hij weg, het gezelschap in totale verwarring achterlatend. Hij kreeg gelijk (Wellcome werd overgenomen en is binnen GSK verdwenen) maar de vraag is of dat nou ondanks of dankzij die stoere taal gebeurde. Hijzelf was overigens binnen een jaar alweer ergens anders.
    Ik werkte in die tijd bij Wellcome Biotech, met als enige bedrijf ter wereld 10.000 l fermentatietechniek en de topexperts in dienst. Ik herinner me de vergadering waarin we het gen voor erythropoietine aangeboden kregen in licentie. Dat konden we zo gaan producren en ik realiseerde me doordat ik net uit de nefrologie kwam dat dit de oplossing was voor nierpatienten. Ik was dus enthousiast maar nogal onbelangrijk en de blik van de drie marketing directeuren was snijdend” Niet genoeg marktgrootte” mompelden ze en we gingen over tot de orde van de dag. Ik denk altijd dat dat het moment was dat Wellcome ten onder ging aan pogingen tot voorspelbaarheid.

    De wetenschapsagenda van de overheid doet in beleefde en uiterst doordachte termen hetzelfde. Het is begrijpelijk dat iedereen onrustig wordt als er geld naar iets gaat dat niet onmiddellijk iets oplevert. Het is de vraag of het helpt om daar dan een schijnagenda op toe te passen. De vorige pogingen hebben namelijk ook niks opgeleverd. Het innovatieplatform? Topsectoren? Valorisatie? Over dat laatste kan je wel even doorreflecteren. De overheid haalt belasting op bij private ondernemingen en personen en geeft die aan de wetenschap zonder zekerheid dat het iets oplevert in de zin van commerciële winst maar het wordt gedaan om er in de toekomst aan te kunnen verdienen. Denk maar aan het bouwen van de Noord-Zuidlijn.
    Valorisatie van wetenschap wordt over het algemeen gezien als bedrijvigheid die ontstaat door directe kapitaalverschaffing door private partijen (die dan menen eraan te kunnen verdienen in de toekomst). Dat is dus nauwelijks anders dan belasting.
    Nog even voor iedereen die in de wetenschap zit: Venture capital ophalen is geen geld verdienen! Pas als je iets voor meer verkoopt dan het heeft gekost is de valorisatie geslaagd. De krantenlezer ziet alleen successen, maar is de verkoop van Prosensa aan BioMarin nu een succes? Er is 90 miljoen opgehaald op de beurs (geld uit de zak van private partijen).Dat geld krijgen ze (als ze niet tussendoor met verlies hebben verkocht) bij de verkoop ongeveer terug en dat is mooi maar als ze het hadden belegd in stabiele aandelen hadden ze meer gehad. De aandeelhouders van BioMarin (dat overigens ieder jaar 80 miljoen meer uitgeeft dan ze binnenhalen) hebben nu 600 miljoen uitgegeven voor dit bedrijf. Uiteindelijk is dus niemand rijker en dat lijkt mij de werkelijke definitie van valorisatie.

    Wat moeten we dan wel doen? Er is feitelijk maar een ding dat de overheid moet doen en dat is ruimte scheppen voor innovatie en creativiteit. Dat kan door het beschikbaar stellen van geld maar ook door veel andere dingen. Goede opleidingen, plaatsen waar creativiteit gedijt (ik werk in het Leiden BioSciencePark) het beperken van onnodige regelgeving (zie onze publikaties over de nieuwe Europese Klinische Trial regelgeving en huiver). Michael Porter heeft prachtige artikelen geschreven over het concept van shared value dat weggaat bij het monodimensionele agendadenken dat in dit rapport wordt gevolgd. Het vergt enorme durf om ruimte te bieden als overheid en dan te kijken wat er gebeurt maar dat heeft wel goed gewerkt in Silicon Valley of in Oss in de jaren 1930 of in Beerse in 1950. Als onderzoekers moeten we die geboden ruimte innemen maar dan wel zonder arrogantie, met een veel hoger niveau van zelfregulatie dan nu plaatsvindt en met het steunen stimulering van creativiteit bij een nieuwe generatie. Geen getalenteerde 30er wil de komende 10 jaar op jaarcontracten werken.

    Heeft dit rapport waarde en gaan we iets hebben aan een brede maatschappelijke discussie over wat de wetenschap moet doen? Natuurlijk, Gezond ouder worden! of Kanker genezen! of Alzheimer behandelen! dat wisten we al. Het gaat natuurlijk om de dingen die niemand nog weet want die zijn het nuttigst.

    Bij Wellcome vonden we het onderzoek van John Vane (die had uitgevonden hoe aspirine werkte) nutteloos voor commerciële doelen, maar ik werd later betrokken bij het onderzoek dat leidde tot het toedienen van lage doses aspirine bij het hartinfarct. Dat onderzoek (met de nu wat belaste naam van ISIS II) zorgde ervoor dat een jaar erna bijna alle Amerikanen dat middel kregen met een enorm effect op de overleving. Niemand heeft er denk ik geld aan verdiend maar de indirect effecten waren groot en dat is de gedeelde waarde waar we naar moeten zoeken die alleen ontstaat door ruimte te bieden, niet door het weg te nemen door agenda’s.

    • Organisatie: CHDR en LUMC
    • Functie: Hoogleraar Klinische Farmacologie en CEO
  • Jurriaan Schmitz 28 november 2014 - 14:31

    Volledig eens met Landsman, Aarts en De Rooij. De intellectueel luie “Winner takes all” financiering ondermijnt de breedte van de wetenschap en daarmee het lange-termijnperspectief van de academische gemeenschap. Ik denk dat we aan het Topsectorenbeleid wel kunnen zien dat het maken van roadmaps e.d. ons niet verder helpt. Beter is: een goed idee uit mogen voeren zodra het ontstaat, zonder te moeten wachten op de een of andere roadmap met het juiste steekwoord.

    • Organisatie: Universiteit Twente
    • Functie: Hoogleraar
  • johan de rooij 28 november 2014 - 11:10

    De vorige zwaartekracht-ronde werd in de pers neergezet als een van de grootste impulsen in de wetenschap ooit. In feite werd er veel geld aan een paar (ad hoc gevormde) consortia van bewezen topwetenschappers gegeven (en een stuk minder beschikbaar gesteld voor open competitie per project). Dat gold ook voor eerdere grote financierings vehikels als TI-Pharma. Dat gaat dus naar alle waarschijnlijkheid in 2016 weer gebeuren. Dat is natuurlijk een veilige manier van investeren, zij zullen er niet opeens onzinnige wetenschap mee gaan bedrijven en sommige onder hen doen werkelijk uitzonderlijke dingen. Er zijn wel een aantal kanttekeningen bij dit beleid te plaatsen:
    – Nederland is klein, dus dit model leidt tot de vorming van consortia van het kaliber waarvan er geen tweede te vormen is. Bij deze vorming komt geen open competitie kijken. De keuze voor wie er mee mag doen ligt bij een vrij klein aantal “grote jongens”.
    – De wetenschappers binnen deze consortia zouden ook zonder de top-subsidie genoeg financiering weten te genereren voor hun onderzoek en de vraag is dus of dit echt vernieuwende wetenschap oplevert. Wellicht zou het beter zijn als er toch meer open competitie per project zou zijn, waarbij de beoordeling van het voorgestelde onderzoek echt zwaarder zou worden meegeteld dan de overweldigende staat van dienst van de verzamelde top van Nederland.
    – 10 jaar geleden was er nog voldoende geld (naast de grote subsidies) om excellente (en misschien ook wel eens wat minder excellente) onderzoeksvoorstellen van wetenschappers die niet in zo’n consortium zitten te honoreren. Nu kan zelfs van het excellente onderzoek (als zodanig beoordeeld door international peer review) slechts een gedeelte worden gefinancieerd. Het zou goed zijn als de beleidsmakers zich afvroegen of het onderzoek binnen de grote consortia echt meer oplevert dan de niet-gefinancieerde excellente onderzoeksvoorstellen zouden hebben gedaan.
    – Deze financieringsstrategie draagt sterk bij tot de groei van het verschil in competitiviteit tussen de absolute top (in de consortia) en de groep daar net onder. Wetenschap is namelijk ook gewoon een kwestie van hard werken en daar heb je mensen en dus geld voor nodig. Het is de vraag of dat echt leidt tot de meest innovatieve wetenschap. Het beperkt in ieder geval sterk de diversiteit en de kans op onverwachte vindingen.
    – Door in deze fase van teruglopende financiële middelen het geld op deze manier te verdelen, wordt de uitval onder de Nederlandse wetenschappers vergroot. Dat levert dus een behoorlijke vernietiging van kennis en daarmee kapitaal op. De beleidsmakers zouden er goed aan doen daar in hun lange termijn visie rekening mee te houden.

    • Organisatie: UMC Utrecht
    • Functie: UD
  • Ewout Steyerberg 27 november 2014 - 16:27

    Mij verontrust de gedachte van sterkere sturing van wetenschap op basis van maatschappelijke input. Ten eerste worden onderzoeksvoorstellen vaak al beoordeeld op het criterium ‘relevantie’, naast ‘kwaliteit’. Relevantie weerspiegelt waar in een bepaalde context behoeft aan is en belang aan gehecht wordt. Hierbij spelen uiteraard maatschappelijke ontwikkelingen mee; onderzoekers zijn slim genoeg om hier op in te haken. Eenmaal uitgevoerd onderzoek moet wel breed uitgedragen worden.
    Verder is top-down sturing sowieso onwenselijk en slecht voor de Nederlandse wetenschap. Ik ken geen voorbeelden van echt succesvolle, doelmatige, top-down gestuurde onderzoeksprojecten. Helaas ken ik wel tegenvoorbeelden van inëfficient onderzoek, met bureaucratie zonder dat beloofde doorbraken gerealiseerd worden.

    • Organisatie: Erasmus MC
    • Functie: Hoogleraar Medische Besliskunde
  • Jos Aarts 26 november 2014 - 19:57

    De nota Wetenschapsvisie 2025 ziet er prachtig uit en bevat een aantal positieve punten die Klaas Landsman al noemt. Er is toch een aantal zaken die mij verontrusten.
    – Ambities worden neergelegd bij krimpende middelen. Door de nadruk op shareholders value is de omvang van R&D in het bedrijfsleven flink gekrompen en de privaat-publieke samenwerking tussen bedrijfsleven en universiteit is ook geen onverdeeld succes. Het lijkt er opnieuw op dat de overheid voor een dubbeltje op de eerste rang wil zitten en hoopt dat intrinsieke motivatie van onderzoekers de bezuinigingen ruimschoots zal compenseren.
    – De Wetenschapsvisie 2025 straalt een sterk geloof in de maakbare samenleving uit door het idee dat overheidsregie van onderzoek leidt tot aantoonbare resultaten voor de samenleving en de Nederlands economie. Als onderzoek leidt tot voorspelbare uitkomsten dan is het geen sprong in het onbekende meer en kan het nauwelijks meer als wetenschappelijk gekwalificeerd worden. Het is dan ook jammer dat om de gunst van het publiek te winnen onderzoekers vaak zelf beweren dat hun onderzoek zal leiden tot doorbraken ten gunste van de samenleving. Men denke maar aan de bewering dat binnen twintig alle voorkomende vormen van kanker te genezen zijn.
    – In de nota wordt het belang van fundamenteel onderzoek benadrukt. Hoe verhoudt zich deze ambitie tot de sterke regievoering die de overheid voor zich opeist?
    – Fundamenteel onderzoek kenmerkt zich door het ongebonden karakter ervan. Het cliché is dat veel fundamenteel onderzoek heeft geleid tot technologische ontwikkelingen die tevoren niet voorzien waren. In zekere zin heeft Andre Geim in zijn Nobelrede al gewezen op karakteristieken en tekortkomingen van het Nederlandse wetenschapsbedrijf.
    – Ik geloof dat de onderzoeker allang de ivoren toren verlaten heeft. In diverse media wordt het publiek betrokken in de wetenschap. Het is wat anders om het publiek te laten meebeslissen welk onderzoek gedaan moet worden. De NRC wijst al op mogelijke onderwerpen die meer de waan van de dag vormen. Ik denk dat wetenschappers helder moeten communiceren waarom ze onderzoek doen en hoe ze gedreven worden door nieuwsgierigheid.
    – Mijn eigen onderzoeksgebied houdt zich bezig met ‘real life problems’ van human-centered design van informatiesystemen in de zorg. IT-leveranciers staan helaas niet altijd te wachten op mijn resultaten, omdat het thema niet ingepast kan worden in hun strakke aanpak van productontwikkeling en mensen in hun gedrag onvoorspelbaar zijn. Ik word gedreven door nieuwsgierigheid naar de achtergronden van deze problemen. Wellicht leidt het tot betere IT-systemen in de zorg.

    • Organisatie: University at Buffalo, The State University of New York
    • Functie: Associate Professor of Biomedical Informatics
    • Gert Jan Hofstede 27 november 2014 - 15:36

      Jos Aarts noemt een aantal punten waarmee ik het eens ben. Bij één punt wil ik, als gedragsbioloog en onderzoeker in de sociale simulatie, graag een kanttekening plaatsen: “Mensen zijn onvoorspelbaar”. Dat valt nog wel mee. Als we net zoveel geld gaan steken in het ontwikkelen van echt goede modellen van menselijk gedrag (geïnspireerd op het beste uit de sociale wetenschap en toegepast op gebruikscontext) als dat we doen in engineering, kunnen we hier snel vorderingen in maken. Een kwestie van prioriteiten.

      • Organisatie: Wageningen university
      • Functie: associate professor information management
  • Klaas Landsman 26 november 2014 - 09:51

    De Wetenschapsvisie 2025 bevat een aantal goede punten, zoals de nadruk op onderwijs en op fundamenteel onderzoek, het overnemen van SiT-achtige kritiek op kwantitatieve outputmeting, en het expliciet benoemen van het genderprobleem. Deze worden helaas ruimschoots gecompenseerd door zowel het gebrek aan nieuwe investeringen (zoals ook al opgemerkt in de reacties van de KNAW en de VSNU) als het rampzalige voorstel van een Nationale Wetenschapsagenda en de nauw daarmee samenhangende nieuwe rol van NWO en de voortzetting van het Topsectorenbeleid. Het op dergelijke wijze vergroten van de centrale regie van het onderzoek, met als klaarblijkelijk doel de maatschappelijke relevantie daarvan te verhogen, is een heilloze weg waardoor dit op zich lovenswaardige doel juist word gemist. Het is al eeuwen zo dat wetenschap zonder enige druk van boven wordt omgezet in welvaart. De Nationale Wetenschapsagenda en de (nog) meer sturende rol van NWO zullen slechts leiden tot (nog) meer bureaucratie en (nog) verdere afname van de keuzevrijheid van de individuele onderzoeker en daarmee van de diversiteit van ons wetenschappelijke landschap. Deze diversiteit is echter cruciaal voor de gezondheid van dit landschap. In dat laatste licht is ook de uitgesproken lof voor het huidige, vrijwel volledig op competitie gerichte subsidiesysteem verwerpelijk, om nog maar te zwijgen van de bizarre vaststelling dat onze “traditie van hoogwaardige kwaliteitszorg”, (i.e., het QANU-achtige evaluatiesysteem) zou hebben bijgedragen aan de onomstreden kwaliteit van de Nederlandse wetenschap – ik merk daarbij op dat het kabinet van Nederlandse Nobelprijswinnaars op p. 6 (m.u.v. van de Rus Geim) geheel dateert uit de tijd voor dit systeem in de lucht was. Ook de heilloze trend om subsidies in steeds grotere pakketten aan te bieden lijkt, bijvoorbeeld door de aankondiging van een nieuwe Zwaartekracht-ronde in 2016, te worden voortgezet. Hier zit dezelfde manier van denken achter als bij de Nationale Wetenschapsagenda: hoe meer regie, hoe meer planning, hoe meer grootschaligheid, hoe beter. De geschiedenis van de wetenschap en met name van haar interactie met de maatschappij en haar rol in de toename van onze welvaart leert echter het tegendeel; slechts de bouw van de atoombom in Los Alamos vormt hier een mogelijke uitzondering op. Zijn bedrijven als SIEMENS of ASML ontstaan als gevolg van een Topsectorenbeleid? Waar was de centrale regie toen Gerard ’t Hooft zijn geniale werk als promovendus deed? Integendeel, bij de grootste doorbraken werd juist tegen de stroom in geroeid – dat is zelfs de kern van dergelijke doorbraken.
    Zie verder mijn kritiek op het huidige wetenschappelijk subsidiebeleid (helaas grotendeels bevestigd door de Wetenschapsvisie 2025) op https://dl.dropboxusercontent.com/u/47658664/WWNAW.pdf

    • Organisatie: Radboud Universiteit
    • Functie: Hoogleraar Mathematische Fysica
    • Gert Jan Hofstede 27 november 2014 - 15:27

      Dank je wel, Klaas Landman. Ik wilde een soorgelijk commentaar geven, met bijvoorbeeld Charles Darwin als onderpublicerende loser, maar naast jouw verhaal hoeft dat niet meer.
      Wat ik vooral mis is lange adem. Elke paar jaar moet ik me weer in nieuwe bochten wringen om enige continuïteit in mijn onderzoek te houden. Het lijkt erop dat dat jo-joën nu nog verhevigd gaat worden.

      • Organisatie: Wageningen University
      • Functie: Associate professor Information Management
    • Shanti Ganesh 27 november 2014 - 13:16

      YES!

      • Organisatie: Radboud Universiteit Nijmegen
      • Functie: Gastonderzoeker postdoc
      • Shanti Ganesh 27 november 2014 - 13:18

        Ik bedoelde dus YES! (Like) op de bijdrage van Klaas Landsman. Helemaal mee eens!

        • Organisatie: Radboud Universiteit Nijmegen
        • Functie: Gastonderzoeker postdoc